geen gerelateerde objecten/artikelen gevonden.

Buskruitmaker

Uit VerhalenWiki

Ga naar: navigatie, zoeken
De kruitmolen van Balbiaen werd waarschijnlijk door ossen aangedreven.
Een van de ambachten die in het Delft van vroeger werd uitgeoefend was dat van buskruitmaker. Buskruit was een explosief mengsel van stoffen wat gebruikt kon worden om projectielen af te vuren. Het kon zowel in wapens worden toegepast als bij vuurwerk. Ook vandaag de dag zijn er toepassingen voor zwart buskruit. Het heeft als groot voordeel de hoge mate van stabiliteit. Hierdoor is het ontbrandingsgevaar bij vallen of stoten gering.

Een belangrijk ingrediënt bij de productie van buskruit is salpeter. Voor zwart buskruit werd voorts zwavel, houtskool en kaliumnitraat gebruikt. Deze ingrediënten werden in poedervorm met elkaar gemengd tot zgn. slangenpoeder. Vervolgens moest het mengsel een paar uur lang gemalen worden in een molen. Dit bevorderde de brandbaarheid en verminderde de hoeveelheid residu die na gebruik achterbleef.
In Delft waren het Willem Willemsz van Linschoten (de jonge), zijn broer Matheus Willemsz van Linschoten, hun vader Willem Willemsz van Linschoten (de oude) en hun zwager Adryaen Jacobsz Balbiaen die van 1623 tot 1626 een compagnonschap vormden met als doel het maken van zwart buskruit. Zij leverden duizenden kilo’s buskruit aan de autoriteiten, maar verkochten ook een partij aan een Dordse vuurwerkmaker. De winsten, zowel als de verliezen van deze handel werden gelijkelijk over hun vieren verdeeld.
Adryaen Balbiaen was gehuwd met de zuster van Willem en Matheus; Marritgen Willemsdr van Linschoten. Hij leek het goed te kunnen vinden met zijn schoonmoeder Weyntgen Lambrechts de Graeff, want zij leende hem een flinke som geld (1500 à 1600 gulden) om daarmee ossen te kunnen aanschaffen.
Willem (de jonge) woonde in het Salpeterhuis nabij de Oostpoort. Ene Pieter Pietersz Weyttemans was werkzaam in dit bedrijf. Hij en zijn vrouw woonden bovendien in de kruitmolen. Het moet een gouden handel zijn geweest in die roerige tijden. In 1628 werd voor honderd pond buskruit maar liefst 102 gulden betaald. Een behoorlijk bedrag. Niet alleen de broers Matheus en Willem waren buskruitmakers, maar ook Willems zoon Adriaen Willemsz van Linschoten. Hij zou in 1630 zelfs naar Schotland gaan om aldaar buskruit te produceren.
Blijkbaar ging het buskruit maken niet altijd goed, getuige een verklaring van Heynrick Lambertsz de Graeff (broer van de moeder van Willem en Matheus). Adriaen had namelijk brandwonden opgelopen bij het ontsteken van buskruit. En oom Heynrick had zich over hem ontfermd. De brandwonden werden door hem zo goed behandeld dat Adriaen er geen nadelige gevolgen van ondervond.
Ook het plaatsen van een nieuwe kruitmolen door molenmaker Aelbert Maertensz verliep niet zoals het moest. Vermoedelijk zag de molenmaker de bui al hangen, want toen hij na het installeren van de kruitmolen gevraagd werd de molen te testen had hij ineens haast om weg te komen. Hij had nog een klus in Schiedam waardoor hij niet langer kon blijven, zo zei hij. Al snel bleek waarom hij zo’n haast had; de molen bleek niet goed te malen waardoor het kruit oververhit werd en ontbrandde. Met als gevolg dat het dak er af sloeg. De molenmaker kwam vervolgens zijn afspraken om de molen te repareren niet na, waarna de schade op zijn kosten werd hersteld.
Mogelijk ging het zo goed met de zaken dat er een tweede kruitmolen bij kwam. Deze was gelegen aan de Hoge Heul ten oosten van de Delftse Poort. Balbiaen bleef op de oude kruitmolen bij Delft werkzaam, terwijl Jacob Willemsz van Linschoten (zoon van Willem Willemsz de jonge) in die molen woonde. Mogelijk was het compagnonschap op onenigheid stukgelopen. Maar uiteindelijk werd de geschillen toch weer bijgelegd. Willem verzocht omstreeks 1631 zijn broer Matheus om als knecht bij hem te komen werken in de kruitmolen van Balbiaen. Matheus aarzelde omdat hij dacht dat hij niet met zijn broer door één deur zou kunnen, maar aanvaardde de job uiteindelijk toch.
Willem Willemsz de oude zal overleden zijn in 1624 of 1628 (waarschijnlijk 1628). Willem de jonge stierf in 1640, Balbiaen in 1643. Ook Matheus overleed in 1643 en werd als Mathijs van Linschoten in Rotterdam begraven.
Naar alle waarschijnlijkheid waren de hier besproken leden van het geslacht van Linschoten verwant aan de Delftse, rebelse kunstschilder Adriaen Cornelisz van Linschoten. Deze Adriaen vervaardigde een schilderij met daarop een alchemist. Dit doek werd door buskruitmaker Abraham van der Heul aangeschaft. Buskruit maken werd in vroeger tijden beschouwd als onderdeel van de alchemie.

Bronnen: ONA-Rotterdam, DTB-Rotterdam.

uitleg gebruikte termen en afkortingen

Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies