524 gerelateerde items gevonden in de collecties van Erfgoed Delft e.o
» Toon alle gerelateerde items uit de collecties van Erfgoed Delft

 
Sectieltableau 'Afgunst'
: 105122
: 126026
: 105778
: 105137
: 105727
: 105228
: 105726
: 105736
: 105131
: 105007

Porceleyne Fles

From VerhalenWiki

(Redirected from De Porceleyne Fles)
Jump to: navigation, search

Aardewerkfabriek 'De (Koninklijke) Porceleyne Fles' bestaat al ruim 350 jaar en dat is zeer bijzonder. Door de eeuwen heen heeft de fabriek zich steeds aangepast aan de veranderende omstandigheden en heeft zich zo vanaf 1653 tot op de dag van vandaag weten te handhaven.

Voorgeschiedenis

De Porceleyne Fles. Foto: Astrid Griffioen.

Vanaf het midden van de zestiende eeuw worden er voorwerpen van tinglazuuraardewerk vanuit Italië, Spanje en Portugal in de Lage Landen ingevoerd. Deze zijn, zoals de benaming al aangeeft, bedekt met een ondoorzichtige witte laag tinglazuur. Al eerder, rond 1500, hebben de eerste Italiaanse keramisten zich in Vlaanderen gevestigd. Hun producten vinden zijn daar erg populair en de Vlaamse plateelbakkers gaan hun producten dan ook imiteren. In het laatste kwart van de zestiende eeuw verlaten veel Vlamingen hun land als gevolg van de geloofsvervolgingen en de achteruitgang van de economie. Onder hen bevinden zich veel plateelbakkers, die zich onder andere in Delft vestigen. Het tinglazuuraardewerk dat zij maken wordt ook wel 'geleyersgoed' of 'plateel' genoemd. Het is onder te verdelen in majolica en faience.

Majolica

Majolica

Majolica komt oorspronkelijk uit Perzië en is ontstaan in de negende eeuw. Via Spanje (Mallorca, vandaar de naam 'majolica') en Italië komt het naar de Lage Landen. Vanaf het begin van de zestiende eeuw wordt het ook in Vlaanderen vervaardigd en vanaf het vierde kwart van de zestiende eeuw tevens in enkele Noord-Nederlandse steden, waaronder Delft.
Majolica voorwerpen worden aan de voorzijde bedekt met een laag ondoorzichtige, witte tinglazuur waarop de beschildering wordt aangebracht. Hierna worden de voor- en achterzijde van het voorwerp bedekt met een laag transparante loodglazuur. Het aardewerk wordt, gescheiden door driehoekige proenen, in een oven gebakken. Deze proenen, die moeten voorkomen dat de voorwerpen aan elkaar bakken, laten aan de voorzijde van het object drie kenmerkende beschadigingen achter. Het assortiment bestaat voornamelijk uit borden, schotels, papkommen, zalfpotten en tegels. Vanaf het laatste kwart van de zestiende eeuw is majolica een zeer algemeen gebruiksgoed geworden. De productie ervan loopt door tot in de achttiende eeuw.

Faience

In tegenstelling tot majolica wordt faience zowel aan de voor- als de achterzijde bedekt met een witte tinglazuur, met daaroverheen nog een laagje transparante loodglazuur. In feite is het een verder geëvolueerde versie van majolica. Het heeft zijn oorsprong in Italië (Faenza, vandaar de naam 'faience'). Dit Italiaanse faience wordt vanaf circa 1590 geïmporteerd. Vanaf ongeveer 1620 wordt faience in Holland geproduceerd, onder andere in Delft. Omdat de decoratie ervan meestal blauw is wordt het ook wel 'Delfts blauw' genoemd. Het is in eerste instantie gemaakt als een goedkope vervanging voor het kostbare Chinese porselein. Daarom werd er toentertijd ook wel gesproken van 'Hollands Porselein'. De Chinese decoratiemotieven bootst men zo goed mogelijk na.
Faience voorwerpen worden in kokers gebakken. Ze worden niet meer door proenen van elkaar gescheiden, maar het aan elkaar bakken wordt voorkomen door de voorwerpen op bakpennen te plaatsen die in de wand van de ovenkoker worden gestoken. Op die manier wordt alleen de onderzijde van het voorwerp heel licht beschadigd. Gedecoreerde faience is vooral als tafel- en siergoed gebruikt. Er is ook ongedecoreerde, witte faience ('Delfts wit'). Dit sobere serviesgoed, dat de aloude tinnen borden en teljoren vervangt, vormt het overgrote deel van de productie van de plateelbakkerijen. De vormen ervan zijn vaak geïnspireerd op Italiaanse voorbeelden.

De inspiratiebron: Chinees porselein

Ming porselein

In China wordt porselein al vanaf de zevende eeuw vervaardigd. Porselein wordt gebakken op hoge temperaturen (circa 1280 tot 1350 graden Celsius), waardoor de klei gaat sinteren en er een glashard, niet-poreus, helderwit baksel ontstaat. De voorwerpen worden versierd met kobaltblauwe verf met eroverheen een laagje veldspaatglazuur. De kleien die in China voor het maken van porselein worden gebruikt, onder andere kaolien of porseleinklei, blijven in Europa tot de achttiende eeuw onbekend. Pas in 1710 lukt het in Meissen om Europees porselein te vervaardigen. De zeventiende-eeuwse lokale producten, majolica en faience, kunnen het Chinese porselein qua kwaliteit van het baksel slechts bij benadering evenaren. Ze zijn grover, minder hard, poreus en vaalwit.
De import van porselein komt in 1647 stil te liggen door een Chinese opvolgingsstrijd. Hierdoor neemt de vraag naar de lokale producten toe en krijgt de faience-nering in Delft een belangrijke impuls. Delft ontwikkelt zich gaandeweg, vooral in de tweede helft van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw, tot het grootste productiecentrum van tinglazuuraardewerk.
De bloeiperiode van de faience-industrie duurt van circa 1680 tot 1720. Na 1750 neemt de productie van faience af, als gevolg van de import van inmiddels goedkoop oosters porselein, de toenemende concurrentie van nieuwe aardewerksoorten in Engeland en het opleggen van zware importheffingen door het buitenland. In de achttiende eeuw loopt het aantal plateelbakkerijen in Delft terug van 29 in 1725 tot 10 in 1800.

Bloeitijd aan het Oosteinde

Uit het testament van de smid David Thoniszoon van der Piet uit 1655 blijkt dat deze zijn huis aan het Oosteinde heeft omgebouwd tot een aardewerkbakkerij voor zijn zoon Jan Davidszoon. Deze laat zich in 1653 inschrijven als meester-plateelbakker bij het Sint-Lucasgilde, om vervolgens te vertrekken uit Delft. Hij laat zijn vader achter met een plateelbakkerij en alles wat daarbij hoort; een weinig ideale start voor het bedrijf. Ondanks de groei van de Delftse aardewerknijverheid duurt het daardoor enige tijd voordat de productie van De Porceleyne Fles op gang komt. Vanwege de inschrijving van zoon Jan en de verleende toestemming tot het plaatsen van een verfmolen voor een aardewerkbakkerij in 1653, geldt dit jaar als het begin van De Porceleyne Fles.
In 1655 worden het huis en de aardewerkbakkerij verkocht aan Quirijn Aldertszoon van Kleijnoven en Wouter Eenhoorn. Voor Van Eenhoorn betekent dit het begin van een veelbelovende carrière in het Delftse aardewerkwezen. Als ondernemer heeft hij belangen in de aardewerkbakkerijen De Grieksche A, De Paauw, Het Hooge Huys en De Drie Posteleyne Astonne. Van Eenhoorn trekt zich in 1663 terug uit De Porceleyne Fles, die vervolgens tot 1697 alleen wordt beheerd door Van Kleijnoven.

Het Oosteinde

De Porceleyne Fles begint haar activiteiten in 1653 aan de westzijde van het Oosteinde, in het tegenwoordige nummer 171. In de loop der tijden worden er drie woonhuizen ter rechterzijde (de nummers 173 en 175) bij het bedrijf getrokken. De panden liggen buiten de zone die door de stadsbrand van 1536 werd aangetast. Daarom zijn er hier nog tal van laatgotische constructiedelen van vóór de stadsbrand bewaard gebleven die elders in de stad zijn verdwenen. Vooral het pand op nummer 173 is zeer bijzonder. Het betreft een middeleeuws stadswoonhuis met kleine hoektorens, gebouwd in het midden van de vijftiende eeuw. Tijdens een uitgebreide restauratie van dit pand werd in 1998 bouwhistorisch en archeologisch onderzoek verricht.
Er werden funderingen teruggevonden waaruit de indeling op de begane grond kan worden herleid. De voorgevel staat schuin op de as van het huis, parallel aan de gracht. Het huis is in vier balkvakken verdeeld. Aanvankelijk heeft de ruimte uit één vertrek bestaan, met in het achterste balkvak een schouw tegen de zuidelijke zijmuur. In de hoek van de schouw zijn meerdere aspotten ingegraven die bij verschillende vloerniveaus in het huis behoorden. Op grond van het gebruikte baksteenformaat en aan de hand van steengoedfragmenten die onder het oudste vloerniveau werden gevonden, kan de bouw van het pand worden gedateerd op het midden van de vijftiende eeuw. Tot die tijd was dit deel van het erf onbebouwd. Waarschijnlijk nog in diezelfde eeuw werd de ruimte in twee vertrekken verdeeld door een eensteens brede muur. Mogelijk werd het huis bij die gelegenheid met vijf meter verlengd, waardoor de begane grond werd verdeeld in een voorkamer, tussenkamer en achterkamer. De zuidmuur van de achterkamer is in de zeventiende eeuw tot aan het maaiveld afgebroken, opnieuw opgetrokken en met een meter verlengd. In de achterkamer werd een klein keldertje gebouwd dat in het vierde kwart van de zeventiende eeuw met plateelbakkersafval werd dichtgegooid.

Vondsten

Vondst

Onder het afval in de kelder bevonden zich veel fragmenten van ovenkokers. Verder werden er proenen, bakpennen, biscuit (ongeglazuurd aardewerk) en misbaksels gevonden. Onder de mislukte baksels bevonden zich zogenaamde 'Friese' majolica schotels die uit het einde van de zeventiende eeuw dateren. Aan deze schotels is lange tijd een Friese herkomst toegeschreven, mede op grond van de ruime verspreiding van deze voorwerpen langs de Friese en Noord-Duitse kust. Diepgaand onderzoek naar het in Friesland vervaardigde majolica toonde echter aan dat de herkomst van de 'Friese' schotels niet daar gezocht moet worden.
Lange tijd bleef onduidelijk waar deze grove, eenvoudige schotels vandaan komen. De vondsten uit de kelder van Oosteinde 173 maken het zeer aannemelijk dat deze schotels in Delft gemaakt zijn. Daaruit blijkt dan tevens dat De Porceleyne Fles naast de kwalitatief hoogwaardige faience, ook de daaraan inferieure 'Friese' schotels heeft geproduceerd. Dat wordt overigens bevestigd door schriftelijke bronnen, zoals boedelinventarissen. Opvallend is dat dit soort schotels bij opgravingen in de Delftse binnenstad, in verhouding tot andere aardewerk voorwerpen, weinig tussen het huisraad van de doorsnee huishoudens wordt aangetroffen. Deze voorwerpen waren klaarblijkelijk voor een speciaal segment van de markt bedoeld en vonden hun weg vooral naar de bevolking op het (Friese) platteland.

Een bijzondere beerput

In het begin van de jaren tachtig was er op deze locatie al eens gegraven door de gebroeders Schapers, in samenwerking met de familie Van Geenen, de toenmalige eigenaar van het pand. Dit was geen officiële archeologische opgraving, maar uitsluitend het leeghalen van de beerputten op het terrein. Omdat er toen nog geen archeologisch beleid bestond, kon het erfgoed uit de bodem alleen op die manier worden gered en bewaard. Er werden zeventiende-eeuwse tegels en faience uit de vroege achttiende eeuw aangetroffen. In de onderste beerlaag werd aardewerk en glas gevonden uit de tweede helft van de zeventiende eeuw (circa 1660–1680/1710). Het meeste was tweedekeus gebruiksaardewerk, maar er zaten ook eerste kwaliteit en speciaal ontworpen voorwerpen tussen. Onder de vondsten bevond zich een bord met het opschrift 'Engeltje Kleijnoven 1673', een duidelijke verwijzing naar de vrouw van Quirijn Aldertsz van Kleijnoven, die van 1655 tot 1697 eigenaar was van De Porceleyne Fles.

Concurrentie

Achttiende-eeuws creamware

Vanaf het midden van de achttiende eeuw lijden de Delftse aardewerkproducenten zwaar onder de concurrentie van het hardere en goedkopere Engelse aardewerk. Het baksel van dit industriële aardewerk zit wat betreft hardheid tussen faience en porselein in. Het baksel is tot circa 1780 roomkleurig en de producten worden daarom creamware ('roomgoed') genoemd. Deze aardewerksoort is ontwikkeld door de welbekende Josiah Wedgewood. Creamware wordt geglazuurd met een mengsel van loodpoeder en gemalen vuursteen, nadat de decoratie direct op de scherf is aangebracht. De productiekosten zijn daardoor laag. Het Delftse aardewerk is geliger van kleur en wordt daarom eerst voorzien van een kostbare laag tinglazuur, alvorens de decoratie wordt aangebracht.
Voor de Porceleyne Fles was het proberen na te bootsen van het creamware de enige manier om te kunnen blijven bestaan. Blijkens een boedelinventaris uit 1762 werd er dan ook begonnen met de productie van het zogenoemde 'Engelse namaak', dat enigszins op het creamware lijkt. In deze inventaris wordt melding gemaakt van 'Engelse kokers', wat duidt op het vervaardigen van een nieuw soort aardewerk.
In 1811 gaat eigenaar Henricus Arnoldus Piccardt een compagnieschap aan met een stadgenoot om zowel Delfts als Engels aardewerk te gaan vervaardigen. Ook worden er (volgens Piccardt zelf bij toeval) enkele Engelse arbeiders in dienst genomen die hem de Engelse procedure bekend maken. In zijn streven het creamware zo goed mogelijk na te maken, gebruikt Piccardt vanaf omstreeks 1835 Engelse grondstoffen. Vanaf eind jaren dertig koopt hij bovendien koperen platen voor transferprints in Engeland.
Uit de periode Piccardt (1804–1849) zijn niet veel voorwerpen bewaard gebleven. Wel kan uit schriftelijke bronnen de productie eingszins worden teruggevoerd. Zo blijkt dat Piccardt diverse nieuwe artikelen in productie neemt. Door enerzijds voortdurend het assortiment te wijzigen en uit te breiden, en anderzijds door subsidies en voorschotten van de overheid te krijgen, weet Piccardt zijn bedrijf draaiende te houden. Tijdens het beheer door zijn dochter Geertruida, van 1849 tot 1876, blijft het assortiment aanvankelijk hetzelfde. Het bestaat dan voornamelijk uit grof, wit geglazuurd gebruiksaardewerk. Geleidelijk wordt het assortiment uitgebreid om te concurreren, zoals Petrus Regout in Maastricht. Hem was het in 1836 gelukt om een veel betere en gelijkwaardiger opvolger van het Engelse creamware te vervaardigen.
Tot 1876 blijft het productassortiment sterk gericht op Engeland. Een groot deel van de klei en kleurstoffen worden in Engeland besteld. Ook zijn de modellen van voorwerpen, de decors en hun benamingen vaak Engels geïnspireerd. De productie van het traditionele, handbeschilderde Delfts Blauw verdwijnt dan ook meer en meer naar de achtergrond.

Koninklijk

Na de dood van Thooft in 1890 neemt Abel Labouchère de leiding over. De groei van De Porceleyne Fles en de toekomstverwachtingen aan het begin van de nieuwe eeuw vormen de aanleiding om in 1904 van het bedrijf een naamloze vennootschap te maken. Abel Labouchère en Henrich Wilhelm Mauser zijn de eerste directeuren. Adolf le Comte en F.G. Waller worden benoemd als commissarissen. De bloei van De Porceleyne Fles wordt in 1919 bekroond met het verkrijgen van het predikaat 'koninklijk'. Kort na 1900 wordt de vervaardiging van bouwceramiek dermate omvangrijk, dat moet worden uitgekeken naar een andere locatie voor het bedrijf. Er wordt in 1916 een complex aan de Rotterdamseweg overgenomen. In de jaren twintig verrijst hier een compleet nieuw gebouw, naar een ontwerp van A. van der Lee. Het complex functioneert als een soort staalkaart waarop alles wat in ceramiek uitvoerbaar en leverbaar is wordt getoond. De Porceleyne Fles is nog altijd op deze plek gevestigd.

Crisis

Zwart Delfts

Gedurende de crisis van de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt De Porceleyne Fles genoodzaakt goedkope noodcollecties, zoals het onbeschilderde Wit Delfts, op de markt te brengen om het hoofd boven water te kunnen houden. Dit Wit Delfts blijft tot 1976 in productie. Na de oorlog komen er nieuwe aardewerktypen op de markt, zoals bijvoorbeeld het rood-craquelé en het Zwart Delfts (gemaakt vanaf 1957 tot heden), dat is gebaseerd op het zeventiende-eeuwse 'famille noir'. Deze nieuwe producten blijven alleen, evenals het vernieuwingsaardewerk van rond 1900 en het Nieuw Delfts, een nevenproduct van het traditionele Blauw Delfts.
Het herstel na de Tweede Wereldoorlog verloopt niet zonder tegenslagen en de productie komt slechts aarzelend op gang. Desondanks wordt er in de toekomst geïnvesteerd door de oprichting van een experimentele afdeling. Jonge keramisten, veelal vrouwen, experimenteren met nieuwe vormen en technieken en produceren een groot aantal bijzondere ontwerpen. In 1977 wordt de afdeling gesloten. De productie van bijzondere ontwerpen wordt evenwel voortgezet in de vorm van de zogenoemde 'specials': eigentijds designaardewerk, ontworpen door kunstenaars.

Wisselende conjunctuur

In de tweede helft van de twintigste eeuw moet De Porceleyne Fles diverse malen inkrimpen. De tegelafdeling wordt in 1976 gesloten en zoals gezegd sluit in 1977 de experimentele afdeling. De afdeling bouwceramiek houdt het tot 1981 uit. Ook het assortiment wordt aanzienlijk verkleind: van 1450 naar 700 artikelen. Maatregelen zoals verkleining van het personeelsbestand en werktijdverkorting moeten De Porceleyne Fles in die tijd behoeden voor verdere problemen. Ondanks alle maatregelen en reorganisaties worden er diverse initiatieven ontwikkeld om nieuwe markten aan te boren. Vanaf 1979 krijgen vier bij De Porceleyne Fles werkende meesterschilders jaarlijks de gelegenheid een eigen object te ontwerpen en in gelimiteerde oplage uit te brengen. Deze objecten, die vaak een serie vormen, vinden gretig aftrek.
In 1994 komt er een einde aan de periode van bezuinigingen en reorganisaties. Sindsdien heeft De Porceleyne Fles zich toegelegd op drie productgroepen: het traditionele blauwwitte aardewerk, het traditionele meerkleurige (polychrome) aardewerk en het eigentijdse designaardewerk. Bovendien zijn zowel de fabriek als het bedrijfsmuseum toegankelijk gemaakt voor een groter publiek, is er meer aandacht voor de ontvangst van bezoekers en de verkoop in de eigen showroom, en kunnen er workshops worden gevolgd. Inmiddels is de fabriek een belangrijke toeristische trekpleister voor Delft geworden die bezoekers uit alle windstreken trekt.


Porceleyneflesdelft.jpeg
Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies