geen gerelateerde objecten/artikelen gevonden.

Instrumentenmaker

Uit VerhalenWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Soorten instrumentmakers

De naam van het ambacht instrumentmaker werd zowel gebruikt voor de bouwer van muziekinstrumenten als voor die van wetenschappelijke instrumenten. Delfse instrumentmakers

Geraadpleegde bronnen

1. ROOSEBOOM, M. 1950. Bijdrage tot de Geschiedenis der Instrumentmakerkunst in de Noordelijke Nederlanden tot omstreeks 1840. 2. Historisch GIS Delft 3. Digitale Stamboom Delft; collectie-delft.nl 4. Museum Boerhaave Leiden 5. Koninklijke Bibliotheek Delpher Collectie 6. Rapport der Hoofdcommissie ter beoordeeling der voorwerpen van Nationale Nijverheid, tien toon gesteld te Haarlem in de maanden Juli en Augustus 1825. Algemene Landsdrukkerij ‘s Gravenhage 1825. 7. Catalogus der voortbrengselen van Nederlandsche volks-nl kunstvlijt toegelaten ter tweede Algemeene Tentoonstelling geopend binnen Haarlem in juli 1825 Hier is Pieter Bayens zijn achternaam gespeld als Baaijens. 8. MOOIJ, J.; Instrumenten, wetenschap en samenleving: geschiedenis van de instrumentenfabricage nl-Georg Friedrich Händel in Nederland 1840-1940. Soest: Cooperatieve Vereniging "het instrument". 1988. p. 15. 9.Pieter Bayens wordt genoemd in het boek Nederlandse Klokken- en Horlogemakers vanaf 1300 door Enrico Mormurgo.


Pieter Bayens (1774-†1846), Delft.

Bayens, Pieter; Delft. Geboren 6 Dec. 1774 te Megen (N.Br.) als zoon van Cornelis Bayens, tinnegieter en instrumentmaker, sinds 1766 woonachtig te Delft, en Agnes van Houten. Overleden 24 Januari 1846 te Delft. Pieter werkte met zijn broer Adrianus (geboren 7 Juni 1790) in de 1e helft der 19e eeuw. Zij hadden een groot instrumentmakerbedrijf, waar 14 werklieden emplooi vonden. Pieter was getrouwd met Hendrika Moozer, die hem een dochter en drie zoons schonk. Te weten Catharina, Petrus, Hendrikus en Johannes Franciscus. Na Pieters dood maakte zij bekend, dat zij de zaak voort zou zetten met hulp van haar zoons. Adrianus is tweemaal getrouwd geweest, eerst met MARIA Moozer en in 1842 hertrouwde hij als weduwnaar met Theodora van Noort. Uit zijn eerste huwelijk had hij drie dochters, te weten: Angenitha, Catharina en Petronella. Uit zijn 2e huwelijk zijn Maria en Adrianus. Van Bayens zijn bewaard gebleven o.a. astrolabia , een waterpasinstrument (in 1944 door oorlogsgeweld verwoest), een soort rekenmachine en een microscoop. Pieter werkte samen met zijn jongere broer Adrianus in de eerste helft van de 19e eeuw. Samen hadden ze een grote instrumentmakerbedrijf, met een personeelsbestand van 14. De Historisch GIS Delft vermeld hun adres op de Voorstraat 27 in Delft. Twee van zijn 3 zonen - Petrus en Johannes Franciscus - werden ook instrumentmakers.

J. Caminada, L.J. Harri, en J. van Pelt diende als leerlingen van Bayens, die allen later hun eigen onafhankelijke werkplaatsen zouden beginnen. Na Pieter's dood in 1846 heeft Hendrika aangekondigd dat de workshop met de hulp van haar zonen bestaan zou blijven. Verschillende bestaande instrumenten vervaardigd door Bayens zijn in musea; met name het Boerhaave Museum in Leiden hebben een cirkel van holland, een Lenoir type stelvoeten instrument, een Alidade en een Delabarre type Microscoop.

Fig. 1. Messing gradenboog ondertekend P. Bayens, Delft. Vroege jaren 1800. Base: 106,5 mm



Deze messing gradenboog beschikt over een kaart-maker's schaal van 3 Rhynland inch, 1 Rhynland inch wordt gelijk is aan 2.616 centimeter. De eerste duim is verdeeld in 12 delen. Het is onbekend welke schaal van de kaart dit is bedoeld om te vertegenwoordigen. De gravure van de oude Rhynland-eenheid van lengte op basis van deze gradenboog geeft aan dat het vóór de invoering van het metrieke stelsel in Nederland in 1820 werd gemaakt.


Dat de workshop voor een aantal jaren na de dood van Bayens in 1846 voortgezet blijkt in deze advertentie voor instrumentmaker van assistenten in 1849. Nieuwe Rotterdamsche Courant 03-12-1849.


Fig. 3. In 1825 ontving Pieter Bayens een bronzen medaille voor zijn Lenoir type nivellering instrument en sets van tekeninstrumenten op de Tentoonstelling Nationale Nijverheid (nationale industriële tentoonstelling) in Haarlem. Rapport der Hoofdcommissie ter beoordeling der voorwerpen van Nationale Nijverheid... 1825.

Zijn posten op deze tentoonstelling omvatten een Delabarre type Microscoop, 3 sets van wiskundige (tekening) instrumenten, een type van de Lenoir nivellering instrument, een 12 inch Theodoliet, een vliegtuig tabel alidade, een kompas met bezienswaardigheden, een grote gradenboog met vernier, een grote straal kompas, een verbeterde brand slang mondstuk, 2 artillerie kwadranten, een spinnewiel en een aantal chirurgische instrumenten.


J. Caminada

Caminada, J.; Delft. 18. Zoon van CAREL CAMMENADE; hij werkte omstreeks 1820 bij de Delftse firma BAYENS. In 1842 begon hij voor eigen rekening te werken; zijn zaak was lange tijd gevestigd op de Koornmarkt in het huis genaamd ,De Vliegenkast". Evenals zijn vader was hij gespecialiseerd in barometers en passers. Een inzending van verschillende meetkundige instrumenten en andere werktuigen op de tentoonstelling van nijverheid te Delft in 1856 verwierf een getuigschrift. Ook op de tentoonstelling te Arnhem in 1852 was een inzending van hem aanwezig, bestaande uit een draaibankje en meetkundige instrumenten. Op de nationale tentoonstelling te Haarlem in 1861 vinden wij J. Caminada te Delft terug met een inzending barometers en wiskundige instrumenten. Op dezelfde tentoonstelling werd aan een inzending natuurkundige instrumenten van de ,gebroeders Caminada" te Rotterdam een bronzen medaille toegekend. Het geldt hier waarschijnlijk • zoons van J. CAMINADA. De Delftse zaak van J. Caminada werd in 1878 opgeheven. Twee zoons bleven het bedrijf te Rotterdam voortzetten, terwijl twee andere in 's-Gravenhage een nieuwe zaak vestigden.

Jacob Hendrik, Onderdewijngaart Canzius, Delft. Geboren 13 Januari 1771 te Delft, als zoon van Canzius Onderdewijngaart, lid van de raad en burgemeester van Delft, advocaat en notaris, later ook lid der Staten van Holland en hoofd der Hollandse oorlogsmagazijnen, en Jacoba van der Kaag. Overleden 10 Juli 1838 te Delft. Na een zorgvuldige opvoeding te hebben genoten, ging hij in 1788 naar Leiden, waar hij op 24 Juli 1790 promoveerde, volgens verlangen van zijn vader in de juridische faculteit. Inmiddels had hij zich echter ook reeds op de vakken van zijn belangstelling, de natuurwetenschappen, toegelegd. Ook was hij opgenomen in de vrijmetselaarsloge. Na nog enige jaren thuis voor zichzelf gewerkt te hebben werd hij in 1793 beëdigd als advocaat en notaris. Tijdens de Franse tijd behoorde hij tot de prinsgezinde en weigerde hij dan ook de nieuwe eed af te leggen, zodat hij uit alle ambten en diensten werd ontzet. Zo moest hij op 24-jarige leeftijd een nieuwe loopbaan kiezen en kwam hij tot de oprichting van zijn beroemde instrumentenfabriek in een tijd, dat een dergelijke grote fabriekmatige opzet voor het instrumentmakerbedrijf enig in zijn soort was, daarenboven in een tijd waarin de zeeën gesloten waren en vooral op binnenlandse arbeidskrachten, kapitaal en afzet moest worden gebouwd. Wel kon hij enkele Duitse instrumentmakers, zoals Filbri, Battershausen, Hemmerling, optisch glasslijper, en Demmenie, muziekinstrumentmaker, naar Delft laten komen. Glasblazerswerk voor zijn fabriek moest uit het buitenland worden betrokken, aangezien dit ambacht in Nederland niet werd uitgeoefend. Ongetwijfeld is het echter ook aan het moeilijke verkeer met het buitenland te danken geweest, dat de regering veel belangstelling toonde, daar de fabriek in een behoefte voorzag. In 1797 kwam de fabriek tot stand aan de verwersdijk tegenover de choorstraat. Op de plaats van de vroegere Delftse Krant. Jacob Hendrik 0nderwijngaart Canzius zag zijn initiatief en volharding beloond door de snelle groei van zijn bedrijf. De Nationale Nederlandse Huishoudelijke Maatschappij erkende in 1798 zijn verdiensten door toekenning van een gouden medaille. De omvang van de fabriek, die geheel voor risico van Jacob Hendrik 0nderwijngaart Canzius werkte, blijkt duidelijk uit de beschrijvingen die hij er in 1798 en 1800 van publiceerde. In 1798 had hij reeds 30 werklieden in dienst, hoewel de werkplaats voor anatomische en chirurgische instrumenten nog niet in bedrijf was. In 1800 was de fabriek verdeeld in een 17-tal departementen, t.w. ijzersmederij, koperslagerij, geelgieterij, schrijnwerkers- en timmermanswinkel, draad- en buizentrekkerij, glasslijperij, spiegelslijperij, spiegelmakerij, foelieslagerij, spiegellijstmakerij, weerglasmakerij, plaatsnijderij, plaatdrukkerij, horlogemakerij, houtdraaierwinkel, kunstdraaierswinkel en veilwerkerswinkel. Totaal werde er 650 verschillende instrumenten en apparaten vervaardigd. Het, circulair-verdeling werktuig", voor het maken van een op vele instrumenten nodige schaalverdeling, maakte Jacob Hendrik 0nderwijngaart Canzius zelf. Dezelfde indruk. van grote productiviteit krijgt men uit zijn gedrukte prijscatalogus van ongeveer de 650 verschillende instrumenten en apparaten uit het jaar 1804, welke 34 kleingedrukte bladzijden vult. Instrumenten en toestellen uit alle takken der mathematica en fysica worden opgesomd met verwijzing naar de ontwerper; ook de chemie en de chirurgie zijn rijkelijk vertegenwoordigd. In 1805 gaf deze altijd actieve en de mensheid dienende man een bericht uit aangaande een draagbare huisbrandspuit - volgens een model door Jan Paauw voor Van Marum gemaakt, waarvoor hij intekenaren zocht onder alle mogelijke instituten. In hetzelfde jaar werd hem octrooi verleend voor een door A. Van Stipriaan Lurscrus uitgevonden: bathometer. De instrumenten uit zijn werkplaats, die bewaard zijn gebleven, zijn van voortreffelijke hoedanigheid, o.a. een vizeerlineaal, microscopen, een luchtpomp, projectiemicroscopen, kompassen, landmeetkundige instrumenten en een areometer. In vele oude verzamelingen waren zijn instrumenten aanwezig. In deze jaren van opkomst en bloei ondervond 0nderwijngaart Canzius veel waardering; de koning van Holland stak geld in zijn fabriek en benoemde hem tot Manufacturier des Konings; wetenschappelijke genootschappen en sociale instellingen benoemden hem tot lid, vooraanstaande personen kwamen zijn fabriek bezoeken, op de nijverheidstentoonstelling te Utrecht in 1808 werd zijn grote inzending gehonoreerd met de gouden ereprijs. Tenslotte kon Jacob Hendrik 0nderwijngaart Canzius het echter, ondanks financiële hulp, niet bolwerken en in 1810, nadat de inlijving bij Frankrijk hem de genadeslag had toegebracht, werd de fabriek ontbonden en verkocht, terwijl 0nderwijngaart Canzius naar Leiden verhuisde. Weer moest hij zich een nieuw leven opbouwen. Hij vestigde zich te Emmerik, waar hem in I8II (als protestant!) een leraarsplaats werd aangeboden in de experimentele natuurkunde bij het Gymnasium philosophicum in het sticht Sophia. Doch ook deze werkkring was van korte duur; nog in hetzelfde jaar werd het klooster door de Fransen opgeheven. De hogeschool te Harderwijk eerde hem in dat jaar door hem het doctoraat honoris causa in de letteren aan te bieden. Spoedig daarna werd 0nderwijngaart Canzius aangesteld tot burgemeester van Emmerik, een ambt dat hij tot 1816 onder zeer wisselende politieke omstandigheden vervulde. In het genoemde jaar gaf hij uit plichtsbesef aan een roepstem uit Nederland gehoor om een betrekking aan het departement van onderwijs te vervullen. Veel teleurstellingen en gebrek aan erkenning heeft hij ook in die jaren moeten ondervinden, doch het tij keerde toen de koning hem in 1826 benoemde tot directeur van het te Brussel op te richten museum voor kunst en volksvlijt. Zijn verzoek om het museum te 's-Gravenhage te vestigen werd afgewezen en na enkele jaren gebeurde wat Jacob Hendrik 0nderwijngaart Canzius had gevreesd: de revolutie maakte het de trouwe Nederlander onmogelijk zijn werk in België te blijven voortzetten en omstreeks 1833 keerde hij als een gebroken man naar zijn geboortestad terug met achterlating van zijn bibliotheek en zijn uitgebreide kabinet, dat de grondslag had gevormd voor de Brusselse verzameling. Ook het physische kabinet van de Fundatie van Renswoude te 's-Gravenhage, dat hij in 1829 voor het Brusselse Rijksmuseum had aangekocht, ging hierdoor voor Nederland verloren. Zo eindigde hij in behoeftige omstandigheden zijn leven vol teleurstellingen. Wij leren 0nderwijngaart Canzius kennen als een zeer rechtschapen en ondernemend man en plichtsgetrouw Nederlander, die steeds bereid was bij de grote beslissingen in zijn leven het algemeen welzijn boven zijn eigen voorkeur te laten gelden. Hij nam ook een leidende positie in in vele culturele en sociale instellingen, waarvan wel de merkwaardigste was het Christo Sacrum te Delft (1797-1838), een godsdienstig genootschap, waarin Christenen van elke belijdenis konden worden opgenomen en. dat tot doel had de verschillende groepen te herenigen. 0nderwijngaart Canzius huwde in 1799 Adriana Sara Musketier, die hem drie zoons schonk.

C. Cuypers

Cuypers, C. Deze amateur-natuurkundige maakte in de 2e helft der 18e eeuw zelf zijn toestellen, vooral electriseermachines en electrophoren, zonder daarvan echter een bedrijf te hebben en of er handel in te drijven. Zowel professor Allamand als professor van Swinden betoonde zijn belangstelling voor Cuypers uitstekende electrophore , waarvan er een de eer te beurt viel in het kabinet van de Prins van Oranje te worden opgenomen. Christiaan Paulus van Essen Christiaan Paulus van Essen; Delft. Zoon van Hugo van Essen, chirurgijn te Delft en Clasina Snep; Overleden op 27 Januari I840 in de ouderdom van 69 jaar. Hij stond ingeschreven als instrumentmaker, was getrouwd met Geertruida Adriana van Essen en had o.a. een zoon Hugo (I798), die vroedmeester en stadschirurgijn van Delft was. Van zijn werkzaamheid als instrumentmaker niets bekend, wellicht lag zij op chirurgisch terrein.

Gerardus Bernardus Anthonius Filbri

Gerardus Bernardus Anthonius Filbri. Geboren omstreeks 1769 te Münster in Westfalen; overleden 1830 te Delft. Onderdewijngaart Canzius liet deze uitstekende instrumentmaker bij de oprichting van zijn fabriek in 1797 naar Delft komen. Na de ineenstorting van de Onderdenwijngaart Canzius zaak (1810) zette Filbri het bedrijf zo goed mogelijk voor eigen rekening en op veel bescheidener schaal voort, vermoedelijk op de Brabantse Turfmarkt, doch hij had grote moeite om het hoofd hoven water te houden. Blijkens een opschrift op een hellingmeter moet A. Filbri al in 1796 in Holland zijn geweest. Anton Filbri was gehuwd met Elisabet(h) van der Linden. Zijn zoon, G. B. H. Filbri zette de instrumentmakerij voort. De zoon Gerardus Bernardus Hendrikus Filbri (Filbry), geboren te Delft, 12 Januari I8II en overleden 31 Maart 1883. Toen hij in 1830, na de dood van zijn vader, de instrumentmakerwerkplaats overnam, stond deze er allesbehalve bloeiend voor, en zo was het zijn redding, dat in hetzelfde jaar P. J. Kipp zijn instrumenthandel te Delft vestigde zonder daarbij een werkplaats te exploiteren. Voor alle bestellingen van nieuwe instrumenten en voor reparatiewerk steunde deze geheel op de werkplaats van Fibri, die ook chirurgische instrumenten maakte, voornamelijk voor Pom te 's-Gravenhage. Tot twee keer toe moest Fibri nog verhuizen, in 1845 van de Brabantse Turfmarkt naar de Voldersgracht, een jaar later van daar naar de Molslaan, Verhuizingen, die geen verbeteringen betekenden. In 1880 moest hij het werk opgeven om gezondheidsredenen. G. B. H. Fibri was gehuwd met Johanna Elisabeth Christina Samson. De catalogus van de. nationale tentoonstelling te Haarlem in 1861 vermeldt een inzending van G. B. H. FILBRI, slechts bestaande uit ebbenhouten peilstokken en een dito kannemaatje. In het Deutsche Museum bevond zich een lens gesigneerd: Gerardum Bernardum Henricum Fibry, chef de Atelier van Onderdenwijngaart Canzius te Delft 1753. Het is niet duidelijk wie deze lens geslepen heeft.

Petrus Johannes Kipp

Kipp, Petrus Johannes, geboren 5 Maart 1808 te Utrecht; overleden 3 Febr. 1864 te Delft. Na in 1829 te Utrecht zijn apothekersexamen te hebben gedaan, vestigde hij zich het jaar daama als zodanig aan het Oude Delft en al spoedig begon hij daarnaast een handel in wetenschappelijke instrumenten en benodigdheden, een zaak, die zou uitgroeien tot de thans nog bestaande en tot ver over de grenzen bekende fabriek P.J. Kipp en Zonen. Een eigen werkplaats had hij niet, doch al het reparatie- en het nieuwe werk werd uitgevoerd door Filbri. Dat de zaken een grote vlucht namen blijkt wel uit de zeer uitgebreide verkoopscatalogus, welke Kipp in I853 liet verschijnen en welke een groot aantal instrumenten en apparaten op velerlei gebied bevat. De inzending van P. J. Kipp en Zoon op de nationale tentoonstelling te Haarlem in 1861 omvatte niet veel fijn instrumentmakerwerk, doch vooral laboratoriumbenodigdheden, een kijker- en een stereoscoopvoet enz.. Ook als apotheker bleef Kipp werkzaam en zo vinden wij zijn naam onder de oprichters (I842) en, in 1846 en 1847, onder de hoofdbestuursleden van de Maatschappij ter Bevordering der Farmacie. Voorts was hij o.a. lid van de Nederlandse Huishoudelijke Maatschappij (1846), oprichter van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (I847), lid van het Bataafsch Genootschap van Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Haarlem (1848) en corresponderend lid van het Bataafsch Genootschap van Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam (185I). Daarnaast had hij nog tijd voor wetenschappelijk werk, vooral op het gebied der chemie. Hierbij vond hij het apparaat uit, dat zijn naam zou doen voortleven, het nu nog alom bekende Kipp-toestel voor automatische gasontwikkeling , dat hij in 1844 beschreef en dat achtereenvolgens verschillende vormen had. Zijn wetenschappelijke verdiensten werden algemeen erkend en dit kwam tot uiting in de aanbieding van een hoogleraarzetel in de geologie te Delft, een aanbod dat hij echter uit bescheidenheid meende niet te moeten aannemen. Kipp was getrouwd met Anna Petronella Regina Heyligers (18II-I874), uit welk huwelijk vijf zoons en vier dochters werden geboren, van \wie Wilhelmus Arnoldus (I837-I904) de apotheek voortzette en Anthonius Johannes (I834-I9I6) voor de instrumentmakerij werd opgeleid. Deze laatste nam na studiereizen in Frankrijk en Duitsland te hebben gemaakt, de instrumentenhandel over, en richtte in 1880 een fabriek op onder leiding van ]an Willem Giltay (I85I-1929). Deze zaak beleefde een periode van grote bloei toen in 1863 de Polytechnische School de Koninklijke Academie te Delft verving en de grondslagen waren gelegd voor export naar India en Japan. Ook het ontbreken van binnenlandse concurrentie had gunstige invloed. Na de dood van P. J. Kipp voerde de firma de naam P. J. Kipp & Zonen; sinds I917 N.V. Instrumentenfabriek en handel v.h. P. J. Kipp & Zonen. Kipp publiceerde verscheidene artikelen over zijn toestel en andere onderwerpen. Op de instrumentenkunde hebben betrekking: . Beschrijving van een toestel, waarin men bestendig zwavelwaterstofgas in voorraad kan houden.- Tijdschrift Handel en Nijverheid, I844, 2e deel, p. IOO, I fig. Nadere wijziging aan den toestel, waarin men zwavelwaterstofgas in voorraad houden kan. - Tijdschrift Handel en Nijverheid I, I844, 3e deel, p. 229-230, I fig. Beschrijving en afbeelding van den gewijzigde alkalimeter van Fresenius en Will. - Tijdschrift Handel en Nijverheid II, I845, Ie deel, p. 38o-382, I fig. Beschrijving van een vereenvoudigd elektromagnetisch inductieapparaat van Dr. Hugo Reinsch.- Tijdschrift wetenschap Farmacie. I849, p.

Antoni van Leeuwenhoek

Antoni van Leeuwenhoek, geboren 24 Oktober 1632 te Delft als zoon van Philips Anthonysz, mandenmaker, en Margaretha Bel Van Den Berg(h); overleden 26 Augustus 1723 te Delft. Deze man van eenvoudige afkomst, en zonder wetenschappelijke opleiding heeft met zijn zelfgemaakte microscoopjes zo opzienbarende ontdekkingen gedaan, dat zijn roem nooit is verbleekt. Op 16-jarige leeftijd werd hij naar Amsterdam gestuurd, waar hij bij een lakenhandelaar werkzaam was. Ongetwijfeld heeft hij toen met een loupe leren omgaan en misschien heeft hij ook kennis gemaakt met de microscopist ]an Swammerdam, doch daarvan is niets met zekerheid bekend. Na 6 leerjaren keerde hij •in 1654 voorgoed naar Delft terug, waar hij in hetzelfde jaar trouwde met Barbara de Mey {overleden in 1666). Uit dit huwelijk werd slechts een kind, Maria, volwassen. Deze woonde met haar vader tot het eind van zijn leven. Antoni van Leeuwenhoek begon zijn Ieven in Delft als lakenhandelaar, doch in 1660 werd hij als kamerbewaarder der Heren Schepenen aangesteld. Ondertussen studeerde hij voor landmeter, tot welk ambt hij in 1669, na zijn proef te hebben afgelegd, werd toegelaten. Zijn bekwaamheid in de geometrie bezorgde hem in 1679 de betrekking van stadswijnroeier (-ijker), een ambt, dat hij tot zijn dood bleef bekleden. In 1704 kreeg hij hulp, zodat hij sindsdien daaraan vermoedelijk niet veel tijd meer heeft behoeven te besteden. Inmiddels was hij in 1671 hertrouwd met Cornelia Swalmius (overleden in 1694) wier broer medicus was. Wellicht heeft de omgang met deze zwager Antoni van Leeuwenhoek’s belangstelling voor de levende natuur aangewakkerd. Het begin van Leeuwenhoek's bekendheid en daarmee van zijn roem valt in het jaar 1673, toen Reinier de Graaf (1641-1673, geneesheer te Delft en beroemd anatoom) Leeuwenhoek's eerste brief met waarnemingen aan de Royal Society zond (midden in de 3de Engelse oorlog!). In een begeleidend schrijven zei hij, dat ,een zeker zeer vernuftig persoon alhier, genaamd Van Leeuwenhoek, onlangs microscopen heeft gemaakt, die veel beter zijn dan die van Eustachio Divini. Leeuwenhoek zelf schreef in zijn tweede brief (1673) van zijn ,nieuw gevonden microscopix• Wij mogen dus wel aannemen, dat hij zijn microscopen kort voor 1673 uitvond. Van deze primitief geconstrueerde, maar van uitstekende, sterk vergrotende, door hem zelf geslepen lensjes voorziene enkelvoudige microscoopjes maakte hij er eigenhandig een zeer groot aantal. Na de dood van zijn dochter Maria werden meer dan 500 microscoopjes en gemonteerde lenzen verkocht. Met deze eenvoudige instrumentjes deed LEEUWENHOEK zijn ongehoorde ontdekkingen, die hij publiceerde in enige honderden brieven, voor het merendeel gericht aan de Royal Society in Londen. De eencellige organismen (1674), bacterien (1676), spermatozoieden (1677), gistcellen (1680) en vele andere objecten observeerde en beschreef hij voor het eerst. Behalve dat zijn zelfgeslepen lenzen buitengewoon zuiver en lichtsterk waren, moet Leeuwenhoek's waarnemingsvermogen ook zeldzaam scherp zijn geweest; tot kort voor zijn dood zette hij zijn onderzoekingen voort. Aan een grote scherpte van gezicht paarde zich een vernuftige onderzoekergeest, zoals uit vele van zijn brieven blijkt. Voor het bestuderen van de bloedsomloop in de vinnen van een vis ontwierp hij een speciaal toestel, de zgn. ,aalkijker", waarvan vermoedelijk een exemplaar behouden is gebleven. Van zijn honderden gewone microscoopjes zijn er maar enkele over. Zij zijn, evenals exemplaren in oude verzamelingen vermoedelijk van bovengenoemde auctie afkomstig. Door de publicatie van zijn ontdekkingen werd Leeuwenhoek weldra beroemd, wat tengevolge had, dat vele vreemdelingen hem kwamen bezoeken. Hij was dan zeer geheimzinnig met zijn microscoopjes en stond er tijdens zijn leven slechts enkele af aan hoge bezoekers. Leeuwenhoek's brieven hebben zeer vele uitgaven beleefd; oorspronkelijk gaf hij ze bij gedeelten uit in het Nederlands, gevolgd door Latijnse vertalingen. De eerste uitgave van zijn verzamelde brieven verscheen in 4 delen (Ned.: 1685-1718; Lat.: 1722). In 1939 is een begin gemaakt met de uitgave van de verzamelde brieven van 91 / Leeuwenhoek in 20 delen (120). Over Leeuwenhoek bestaat een uitvoerige litteratuur. Dobell geeft hiervan een opsomming. Van Antoni van Leeuwenhoek zijn de diverse portretten bekend

Luiscius, Abraham van Stipriaan

Geboren te Oudewater 10 Oktober 1764; overleden 2 Mei 1829 te Delft. Deze arts en scheikundige trouwde in 1788 met Theodora Jacoba Luiscius, wier familienaam hij bij de zijne voegde. Na haar overlijden hertrouwde hij in1796 met Gertrude Diodati. Na in 1788 te Leiden in de medicijnen te zijn gepromoveerd, vestigde hij zich als arts te Delft, waar hij in 1789 ook tot lector in de scheikunde werd benoemd. Op wetenschappelijk gebied deed hij dikwijls van zich spreken door bekroning van zijn antwoorden op uiteenlopende prijsvragen, b.v. 1790 gouden medaille Kon. Mij v. Geneeskunst te Parijs; 1796 dubbele gouden ereprijs. Ook was hij raadslid van Delft en corresponderend lid van vele genootschappen. Wegens zijn verdiensten voor het vaderland werd hij m 1826 tot ridder in de orde van de• Nederlandse Leeuw benoemd, Hij was jarenlang redacteur van de Scheikundige Bibliotheek en van het Geneeskundig Magazijn. Voor herhaalde aanbiedingen van hoog- •leraarszetels meende hij uit trouw aan de stad zijner inwoning te moeten bedanken. Ook op praktisch gebied was Van Stipriaan werkzaam; hij is de uitvinder van een soort bathometer (dieptemeter), welke hij zelf vervaardigde en in 1805 beschreef: Beschrijving van een zeepeiler ofbathometer. Deze bathometer verwierf op de nijverheidstentoonstelling te Utrecht in 1808 een zilveren ereprijs. Later werden deze instrumenten vervaardigd door Onderwijngaart Canzius, die er octrooi op kreeg in 1805. Van de hand van deze onvermoeide medicus, wiens !even geheel op het algemeen welzijn was gericht, verschenen een groot aantal publicaties op medisch en natuurwetenschappelijk gebied. Schmitz, P Als zoon van een smid. Hij was eerst werkzaam te Maastricht als helper van pro£ J. G. Crahay, hoogleraar aan het Atheneum. In 1837 kwam hij naar Delft, waar hij oprichter en eerste directeur werd van de Artillerie Constructiewerkplaatsen, een werkkring die tot 1874 duurde. Verschillende uitvindingen staan op zijn naam en hij kreeg zulk een vermaardheid, dat zelfs de koning hem raadpleegde. In zijn vrije tijd maakte hij barometers, thermometers en hygrometers van grote nauwkeurigheid. Hij was zeer bevriend met Naundorff, die er aanspraak op maakte Lodewijk XVII van Frankrijk te zijn.

Anthoni Snee(u)wins

Deze instrumentmaker was wellicht een broer van Henricus en Johannes Sneewins. Wij weten dat hij werkzaam was tussen 1642 en 1675. Meestal woonde hij te Delft, doch in 1673 waarschijnlijk te 's-Gravenhage. Ook bezat hij in 1675 een huis te Leiden op het Rapenburg, naast de academie, blijkens een notariele acte in het gemeentearchief In het Delftse archief komt hij alleen voor als getuige bij de doop van zijn kleindochter Aaltje Willemsdr Sneewis in 1677• Deze Sneewins maakte verschillende soorten van instrumenten, o.a. samengestelde hoekmeetinstrumenten voor gebruik. ter zee, astrolabia, proportionaalpassers en timmermanslinealen. Uit enkele bewaard gebleven stukken, die •gedateerd zijn tussen 1642 en 1673, blijkt, dat Antony een zeer bekwaam instrumentmaker is geweest. Johan van Wijk Optisch instrumentmaker in de 2e helft der 17e eeuw. Chistiaan Huygens interesseerde zich voor hem, daar Van Wijk zelf de slijp schotels voor zijn lenzen maakte en in 1655 een methode uitvond om zijn vormen te draaien in plaats van te smeden. In dat jaar wordt hij herhaaldelijk genoemd in de correspondentie van Christiaan Huygens. Zij betitelen hem daarin meestal als ,den Poleiser".


Wetenschappelijke instrumenten

Astrolabia

Astrolabia zijn ontworpen om de posities waar te nemen van hemellichamen en de horizonshoogte te meten. Ze worden gebruikt sinds de tweede eeuw v. Chr. Later werden ze vervangen door sextanten.


Muziekinstrumenten

Naast instrumenten op medisch en wetenschappelijk gebied werden er natuurlijk ook volop muziekinstrumenten gebouwd. De markt daarvoor was groot, want muziek is van alle tijden. In de Gouden Eeuw werd veel gemusiceerd in huiselijke kring. Populair waren instrumenten als de fluit, de luit, het klavecimbel, de tamboerijn en de viool. In militaire kringen waren natuurlijk de trommel en trompet veel gebruikte instrumenten. Het klavecimbel was een snaarinstrument dat met toetsen werd bespeeld en enigszins op een vleugel leek. Het klonk min of meer als een luit maar iets harder.

Muziek is van alle tijden, ook vroeger werd er al veel gemusiceerd

De stem als instrument

Maar ook de menselijke stem was een veel gebruikt instrument, want wat werd er veel gezongen! Er werden dan ook zeer veel liederenboeken uitgegeven in die tijd. Christiaen van Stuyling (broer van de Delftse hofschilder Justus van Stuyling) kwam hiermee in 1611 in de problemen. Het was in de zeventiende eeuw gebruikelijk veel te zingen. Dat ging de hele dag door. Vrolijke, droevige, schunnige of geestelijke liederen, het maakte niet uit. Maar gezongen werd er. Op melodieën van componisten als Marenzio en Monteverdi maakte men spontaan Nederlandse teksten. Maar ook ordinaire deuntjes werden voorzien van eigen teksten. Christiaen was daarop geen uitzondering en zo kon het gebeuren dat hij een kwetsend of beledigend liedje had gezongen over Vroutgen Gerritsdr van Vriesecoop, de huisvrouw van Egbert Huijgensz. Zas, de plateelbakker. Deze pikte dat niet en maakte er werk van. Christiaen werd schuldig bevonden en de uitspraak loog er niet om; 50 gulden boete of 14 dagen op water en brood. Omgerekend naar huidige maatstaven een boete van ruim 700 euro.

Instrumenten in de schilderskunst

Muziekinstrumenten werden in de Gouden Eeuw volop afgebeeld op schilderijen. De kunstschilder Carel Fabritius maakte in 1652 een schilderij waarop de Nieuwe Kerk afgebeeld staat. De kerk wordt gezien vanuit de winkel van een muziekinstrumentenverkoper die zijn nering op de hoek van het Oosteinde met de Oude Langendijk had (zie afbeelding hieronder).

Bron

Bovenstaande tekst werd deels ontleend aan een hoofdstuk uit het boek Delft gezien door de ogen van HET DELFTSE GESLACHT STUIJLING.

Carel Fabritius, Delft 1652
Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies