1466 gerelateerde items gevonden in de collecties van Erfgoed Delft e.o
» Toon alle gerelateerde items uit de collecties van Erfgoed Delft

 
Feest op het Oude Delft voor het Hoogheemraadschap van Delfland
: 103448
Gezicht op de Oude Delft met de toren van de Oude Kerk
: 105253
Oude Delft
: 141023
Gezicht op Oude Delft
: 104672
Oude Kerk op de Oude Delft te Delft
: 127858
Gezicht op de Oude Delft bij de Oude Kerk vanuit het noorden
: 105510
Langs Delftse Vesten en Singels. De buitenste binnenstad; Oude Delft
: 146780
Gezicht op de Oude Delft en de Oude Kerk
: 103868
penning op restauratie van het pand Oude Delft 169, genaamd het 'Wapen van Savoye'
: 103556
"Oude Delft"
: 141877

Oude Delft

Uit VerhalenWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Vermelding en vaststelling

Vermeld tussen 1125 en 1150 als Delf en in 1268 als die Oude Dilf; bevestigd Raadsbesluit 30 januari 1997 (straat) en 24 april 1997 (gracht)

Ligging


Monumenten aan het/de Oude Delft

Oude Delft 147; foto Michiel1972
Oude Delft 73; foto Michiel1972
Op de website Achter de gevels van Delft zijn beschrijvingen van 42 panden aan de Oude Delft te vinden, bijvoorbeeld nummer 163, tot in de 15de eeuw onderdeel van een klooster, later burgemeesterswoning en nummer 169, het Wapen van Savoyen nu gemeentearchief. Het was ooit het woonhuis van de rijkste Delftenaar, maar is ook kazerne en school geweest. De poorten bij Oude Delft 147 en 159-161 gaven ooit toegang tot het terrein met kapel en de overige bebouwing van het St Hieronymusklooster. In het pand op nummer 163 is ooit een bierbouwerij gevestigd geweest. In 1804 tot 1808 wordt de Delftse Courant in dit pand gedrukt. Op nummer 199 is het museum Lambert van Meerten gevestigd.

Op de website Lijst van rijksmonumenten in Delft zijn 156 panden en 2 poorten, gelegen aan de Oude Delft, opgenomen.

Oude Delft 163; foto Michiel1972
Oude Delft 169 Wapen van Savoyen; foto M.Minderhoud
Deze website verwijst voor 'De Kamer van de VOC in Delft' op nummer 39, het Sint Barbaraklooster op nummer 51-53, het patriciershuis op nummer 95, het Gemeenlandshuis op nummer 167, Het Wapen van Savoyen op nummer 169, de Waalse Kerk op nummer 179-171, het Prinsenhof nummer 175-183a, Museum Lambert van Meerten op nummer 199, het Meisjeshuis op nummer 112 en de Sint-Hippolytuskapel op nummer 118 door naar wikipedia.

De gemeente Delft heeft een eigen website waarin alle rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten zijn opgenomen. Van maar liefst 361 woningen aan de Oude Delft wordt een korte beschrijving gegeven, bijvoorbeeld nummer 49 en nummer 112-116.
In 2007 besloot het bestuur van Delft Design de Delftse Architectuurgids een nieuw uiterlijk te geven. De gids heeft, vergeleken met de vorige versie uit 1992, een nieuwe uitstraling met veel aandacht voor de recente architectonische aanwinsten in Delft.

Herinnering van de Oude Delft: Het gebouw van bouwkunde, Oude Delft 39A, een verhaal van Jaap van Mierlo

Oude Delft Bouwkunde, foto Delfia Batavorum
In 1959 ging ik in Delft bouwkunde studeren. De Afdeling der Bouwkunde was toen gevestigd op het adres Oude Delft 39a. Het gebouw (of: het deel ervan langs het Oude Delft) wordt thans het Oostindië-huis genoemd.

Het aantal studenten was toen veel kleiner was dan tegenwoordig: bij mijn aankomst waren er 120 eerstejaars, en dat vond men al verschrikkelijk veel omdat men gewend was aan 80 á 100 eerstejaars. Het gebouw was niet zo groot, en met die 120 werd de grens ongeveer bereikt. Het aantal meisjes was gering; in mijn jaar vijf of zes, en dat was al relatief veel.
Het gebouw bestond uit een chaotische verzameling van bouwdelen uit verschillende tijden. Alle delen waren met elkaar verbonden, zodat men van het Oude Delft tot de Westvest kon doorlopen (adres: Westvest 141). Er waren drie binnenplaatsen; op de grootste stond een borstbeeld van prof. Granpré Moliere. De drie binnenplaatsen grensden alle aan een hal, die thans is gesloopt, zodat de beschreven eenheid niet meer bestaat. Juist door de kleine schaal en de verschillen tussen de diverse delen bezat het gebouw een leuke sfeer: alle plekken waren uniek en herkenbaar. Het duurde wel even voordat je het gebouw kende maar je kon je er thuis voelen. Hoewel het aantal studenten relatief groot was, voelde je je niet verloren in de massa. Er stonden nog geen lockers in de garderobe. De maatschappij was nog redelijk vriendelijk.
Vanaf het Oude Delft ging men door een poortje onder een stukje gebouw door; dan kwam men op de eerste binnenplaats die in gebruik was als fietsenstalling en altijd propvol Oude Delft 39 stond. Daarachter lag de deur van de genoemde hal die alle delen verbond. Langs het Oude Delft lagen de Blauwe zaal, met een cassetteplafond met blauw geschilderde vakken, de grote vergaderzaal, ongeveer 10 meter in het vierkant, voorzien van een parketvloer, een grote glazen luchter en een marmeren schoorsteenmantel met een spiegel, een kleine vergaderzaal en enkele werkkamers. Boven de grote vergaderzaal was de bibliotheek, met er naast het kabinet van prof. Ter Kuile, hoogleraar geschiedenis bouwkunst en tevens de beheerder van de bibliotheek. Boven het raam van het kabinet van Ter Kuile was een gevelsteen ingemetseld met het jaartal 1585. Dit alles moet er heden nog wel staan. Verder was er een vleugel van ongeveer vier lagen vanaf die hal naar de Westvest en langs de Westvest, en een vleugel van twee lagen evenwijdig daaraan aan de andere kant van de grote binnenplaats.
Naast de deur van het kabinet van Ter Kuile hing een aquarel van ongeveer 80 cm breed en een meter hoog, voorstellende de gevel van een (neo)gotische kerk. Het was de inzending van de nog jonge Berlage voor de prijsvraag voor de voltooiing van de kathedraal van Milaan. (Berlage heeft niet gewonnen). Ik hoop dat de aquarel niet in de recente brand van het nieuwe gebouw voor bouwkunde verloren is gegaan.
Bij het trappenhuis aan de kant van het Oude Delft hing een plaquette met het opschrift, dat vanaf die plek prof. Schoemaker in de eerste dagen van mei 1941 door de Duitsers in gevangenschap werd weggevoerd; hij stierf later in een concentratiekamp. Zijn naam leeft voort in de Schoemakerstraat. Ik heb begrepen, dat de plaquette is verdwenen.

COLLEGEZALEN

De collegezalen waren op geen stukken na zo groot als tegenwoordig; de twee grootsten hadden elk zo’n 125 plaatsen. Wel had elke zaal twee ingangen, een nabij de toonbank van de hoogleraar, en een achterin: wie te laat was, moest dus de achterdeur kiezen. Verder was vanuit de bouw geen enkele voorziening voor projectie; achter in de zaal was een plank via beugels aan het plafond gehangen, en tijdens projectie stond een assistent van de hoogleraar op de collegebank om de dia’s te verschuiven als de hoogleraar met zijn stok op de vloer stampte. Ik herinner mij, dat eens tijdens projectie een student te laat binnenkwam. De achterdeur ging open, er viel dus veel licht naar binnen, en de hoogleraar raakte geïrriteerd. deur ging snel weer dicht, en het college werd vervolgd. De student wachtte even om te wennen aan het donker, en begon toen zachtjes een sluiptocht naar een plaats. Daarbij raakte zijn voet verward in het snoer van de projector, zodat het snoer uit het stopcontact werd getrokken. Zaallicht aan, en zo voorts. Uit zon detail blijkt, hoe primitief de inrichting toen eigenlijk was. Als na de projectie de verduistering werd opgehaald, droop het condens van ruiten.
Als een college moest beginnen, zat de hoogleraar in zijn kabinet en ging een bediende hem halen. Dan was er een merkwaardig optochtje in de gangen te zien: voorop een bediende in een stofjas, daarachter een hoogleraar met een mapje onder zijn arm. Zo wandelden ze naar collegezaal, de bediende deed de deur open, de hoogleraar liep in een vloeiende lijn naar binnen en de bediende sloot de deur achter hem. Terwijl de hooggeleerde dan zogenaamd in zijn mapje stond te rommelen, loerde hij over de rand van zijn bril de zaal in om te zien of moest beginnen met 'Dames en heren' dan wel met 'Mejuffrouw, mijne heren' of misschien alleen met 'Mijne heren'.
De kabinetten van de hoogleraren hadden twee deuren op muurdikte afstand van elkaar, waarschijnlijk om te voorkomen dat iemand op de gang kon afluisteren. De namen van de hoogleraren waren midden op de deuren geschilderd in een mooie kapitaal; de kunststof naambordjes waren voor de assistenten. In 1959 droegen de hoogleraren geen jacquet meer tijdens de colleges, maar nog wel bij het afstuderen; ook dat is in de jaren zestig afgeschaft.
Ik heb nooit een examen afgelegd in de vorm van de multiple choice procedure. Sommige examens gingen over tekenwerk; veel van die examens duurden langer dan een dag, en dan was er geen sprake van strengheid of isolatie. Andere examens duurden drie uur, bijvoorbeeld mechanica; dan kreeg de student een blaadje opgaven en blanco papier voor het opschrijven van de antwoorden. Een rekenliniaal was toegestaan; verder niets. De surveillanten waakten tegen spieken en onderlinge contacten. Er bestonden ook nog enkele examens die mondeling werden afgenomen. Daarvoor kleedde de student zich dan in het donkerblauw waarin hij ook zijn eindexamen middelbare school had gedaan.
Enkele tekenexamens duurden één dag. Tijdens zo’n examen kon je zelf brood meenemen, of de afdeling vragen ergens voor te zorgen. Sommige meisjes echter kwamen dan met een mandje, met daarin een geruite theedoek en verder alle ingrediënten voor de lunch, en ze gingen gezellig smeren. Ik vond dat wel amusant. De hagelslag rolde over de tekeningen.
De tekenzaal voor de eerstejaars bezat houten tekentafels voor twee personen. Die tafels waren ongeveer 2,5m lang en 1m breed, hadden een horizontaal bovenblad, gedraaide poten en veel opbergruimte, ook voor tekenborden van 75 x 100 cm. Misschien waren ze wel 50 jaar oud. Na mijn eerste jaar waren die tafels vervangen door verstelbare stalen tekenborden van Ahrend; dan pasten er meer studenten in de zaal. Het aantal studenten groeide zozeer, dat een jaar daarna die Ahrend borden zelfs in de hal stonden.
Het lijkt misschien thans wat vreemd, maar indertijd stoorde niemand zich er aan, dat in het gebouw geen lift aanwezig was. Iedereen liep gewoon over de trappen. In die tijd heb ik niets gemerkt over ontoegankelijkheid voor gehandicapten. Dat werd later pas als een probleem gezien.
In de muur van de gang op de begane grond was een luik. Daarachter was een koffiekeukentje. Met bonnetjes kon je een kop koffie of thee kopen. Je dronk die koffie dan staande in de gang van ongeveer 2,5 meter breed. In het kwartier tussen twee colleges was het dus erg druk in die gang. Als er dan iemand haastig door die gang liep, hoorde je weer een kop op de tegelvloer kletteren en zat de kleding weer onder de koffievlekken. Tegenwoordig is het onvoorstelbaar dat een dergelijk gebouw geen enkele vorm van kantine (tegenwoordig: bedrijfsrestaurant) kent. Zo rond 1963 heeft de Afdeling besloten een ruimte naast het koffiekeukentje, die in gebruik was als monsterzaal (maar waar nooit iemand kwam omdat wij bouwmaterialen liepen op Civiel), te verbouwen tot kantine. Het betreft misschien zo’n 75 plaatsen, maar het betekende veel luxe.
Precies een verdieping hoger was ook zo’n luik: daarachter was de verkoop van de stencils van de hoogleraren. Je kon niet als in een boekwinkel rondlopen en een stencil eens inzien, maar je moest gewoon bij de bediende bestellen.

BUITENGAATS

Het studeren van Bouwkunde speelde zich niet uitsluitend af in het gebouw voor Bouwkunde aan het Oude Delft. In mijn eerste jaar liepen we bouwmaterialen op Civiel (aan het Oostplantsoen, thans een deel van de oude bibliotheek en omgetoverd tot luxe appartementen) en instructie wiskunde in het hoofdgebouw aan de Julianalaan (waar wel een lift was, maar met een bordje 'Verboden voor studenten en stukgoederen'). Verder waren boetseren en de maquettemakerij gehuisvest in OD 91, op de begane grond; op de verdieping zat de Mensa. Bij boetseren waren bij mijn aankomst nog vele gipsafgietsels van beroemde beelden en ornamenten uit allerlei culturen opgesteld. Toen de heer Etienne met pensioen was gegaan, en prof. Wenckebach was overleden (1961?), trad de heer Zweerus aan op boetseren. Nagenoeg alle gipsafgietsels zijn toen verdwenen.
Het lopen met maquettes over het OD tussen de maquettemakerij en bouwkunde had in de winter zo zijn schaduwzijden: wind en regen hebben soms voor extra werk gezorgd. Handtekenen werd gegeven in het oude W&S aan de Nieuwelaan/Ezelsveldlaan, thans ook omgebouwd tot appartementen. De sectie beschikte over een uitgebreide verzameling historische stoelen. Uit het nieuws rond de recente brand kreeg ik de indruk, dat dát niet de stoelen zijn die op het nippertje zijn gered.
Ook in de volgende studiejaren waren we veel buitengaats. Bouwstoffen proeven vonden plaats in het laboratorium dat toen nog wat vreemd in niemandsland stond, maar dat later de eerste arm van het nieuwe gebouw van Civiel bleek te zijn, werkplaatstechniek werd gehouden in het nieuwe W&S en bouwfysica werd gegeven in Analytische scheikunde aan het De Vries van Heijstplantsoen. Interieur en kunstgeschiedenis hadden een plaats gevonden in het prachtige huis Portugaal, OD 75. Daar bevatte de collegezaal (begane grond, links van de voordeur) zelfs geen banken; er waren alleen eetkamerstoelen opgesteld, zeer dicht op elkaar, zodat je niet goed kon schrijven met een dictaat op de knieën, en zodat prof. Hammacher er nauwelijks door kon.
Ten slotte was ook de hoofdbibliotheek van belang voor alles wat de afdelingsbibliotheek niet of niet binnen afzienbare termijn kon leveren. De hoofdbibliotheek stond achter het gebouw voor Civiel, toen met het adres Doelenstraat 101.
Rond 1965 werd de situatie in Bouwkunde zó nijpend, dat het gehele eerste jaar in ateliers in het oude W&S werd geplaatst, en dat de tekenzaal voor het vierde jaar naar de zolders van het hoofdgebouw op de Julianalaan, hoek Michiel de Ruyterweg, werd verbannen (wél met een fantastisch uitzicht over de nieuwbouwactiviteiten in Voorhof).
Studeren bevatte toen veel heen en weer fietsen of lopen. Met de examens werd daar nog een schepje bovenop gedaan, omdat het gebouw voor Bouwkunde nergens een zaal had die groot genoeg was voor de opstelling van de vele losse tafeltjes voor examens mechanica en dergelijke. Dan zaten we in Natuurkunde, of in het nieuwe W&S.
Prof. Van Embden zei eens in het algemeen, maar met het gebouw van Bouwkunde als voorbeeld, dat een gebouw pas echt leuk is als het wordt gebruikt voor een doel waarvoor het niet is ontworpen. Toen hij studeerde was het aantal studenten nog niet zo groot. Voor de situatie waarin ik aankwam, gold die stelling eigenlijk al niet meer, gezien de hoeveelheid uitplaatsingen. In de jaren zestig werd dat alleen maar erger. Het nieuwe (thans afgebrande) gebouw voor Bouwkunde werd in gebruik genomen in september 1970; te laat voor mij. Toch heb ik aan het OD geen slechte herinneringen: de maatschappij was toen nog niet zo veeleisend als tegenwoordig en ook gebreken hebben hun charme.

Dit verhaal is opgetekend door historische vereniging Delfia Batavorum in het kader van een Oral History-project.

Literatuur en bronnen

website van de gemeente Delft, 'herinneringen'

Buurt en wijk

Buurt: Centrum; Wijk: Binnenstad


Zicht over de Kolk op de panden Oude Delft 1 tot 9. Op nr. 9 bevondt zich de bioscoop het Roxy theater. (Ca.1960, Fotografische Dienst TU Delft)

Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies