1 gerelateerd item gevonden in de collecties van Erfgoed Delft e.o
 
: S2807

Overige ambachten

Uit VerhalenWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Over sommige ambachten is te weinig bekend of te weinig te vertellen om hieraan een aparte pagina te wijden. Dit soort ambachten worden op deze pagina geplaatst. Al deze ambachten kunnen we in de Delftse archieven tegenkomen. Door ze hier te publiceren wordt enerzijds aan een behoefte voldaan ambachten te verklaren en anderzijds bestaat hiermee de mogelijkheid dat de info op deze pagina wordt aangevuld en uitgebreid.


A

Alderman: zie beltknaap.

B

Baaiwerker: Baai was een grof wollen of katoennen stof waaruit met name onderkleding werd gemaakt. Jan Jansz van der Vrijent was een Delftse baaiwerker die in 1669 aan de Mallegijsjesvest woonde. Tegenwoordig is dit het oostelijk deel van de Zuiderstraat.

Bagwerker: Een ambacht waarvan de betekenis onduidelijk is was dat van bagwerker. Daniël Aecker die in 1673 overleed was bagwerker. Hij woonde aan het Rietveld met zijn vrouw en kinderen.
Vaak zien we in oude teksten verschillende schrijfwijzen voor namen en beroepen. Men schreef maar hoe men dacht dat goed was en spellingsregels ontbraken. Wanneer men een woord verkeerd verstond konden er al helemaal vreemde varianten ontstaan. Bij bag uit bagwerker denk je dan aan barg. Een barg was een varken. Ook kan men denken aan bax uit baxmeester (bosmeester). Maar de mogelijkheid blijft bestaan dat het daadwerkelijk bagwerker behoort te zijn en wie weet vinden we ooit de betekenis. Glasbergen biedt in ieder geval geen soelaas. Evenmin als de gids van oude beroepen van Carl Denig.

Begijnenkruier: Op sommige vragen kan geen antwoord worden gegeven. Zo blijft het oudeberoepenboek van Glasbergen het antwoord schuldig op wat nu precies een begijnenkruier was. Wie het weet mag het zeggen (onder vermelding van de bron). In het Delft van 1543 komen we zo’n begijnenkruier tegen (koh. 10e penning) tegen. Zijn naam was Jan en hij was woonachtig in de noordwesthoek van de stad.

Beltknaap: In een akte in het Oud Notarieel Archief (ONA) Delft komen we beltknaap en alderman Jacobus Bunce tegen (1655). Belt stond ook toen al voor vuilnisbelt. Ergo Jacobus had een taak bij het ophalen en verwerken van vuilnis. Alderman is een synoniem voor ouderman.

Bommosijnwerker: In een akte op de Digitale Arena staat ene Jan Jansz vermeld die in 1659 kommosijnwerker zou zijn geweest. Het betreft hier een transcriptiefout want er staat bommosijnwerker. Dit is een variant op de benaming bombazijnwerker.

Brader: In een notariële akte uit 1705 word Jan Francken genoemd die van beroep brader was. Een brader werkte als kok in een braderij, alwaar vlees voor anderen gebraden werd.

C

Canduijtmaker: Een canduijt (ook wel conduijt) was de benaming voor een bureau of een kantoor. In 1602 woonde canduijtmaker Jan Pietersz nabij de Oostpoort.

Cameryxdoekwever: Cameryxdoekwever Frans Jansen was afkomstig uit Moorsel en woonde in Haarlem, maar kwam in 1603 naar Delft om in ondertrouw te gaan met zijn Niesgen Willemsdr van Goch, die in Den Hoorn woonde. Cameryxdoek of kamerijksdoek is een weefsel van fijn linnen. Het dankt haar naam aan de stad waar het voor de eerste maal vervaardigd werd; het Noord-Franse Kamerijk (Cambrai). Andere benamingen voor dit textiel zijn kamerdoek en kambrik.

Collecteur: Vroeger waren er, net als nu, accijnzen en heffingen op goederen die verhandeld werden. Dit noemde men impost. Er was impost op wijn, bier, zeep, zout enz. Door de jaren heen heeft Delft derhalve een groot scala aan collecteurs voorbij zien komen. Eén daarvan was Hendrick van Croonevelt die de impost op zout en zeep voor zijn rekening nam.
Echter niet elke collecteur zat mijn zijn handen in de zeep, want het had ook nog een tweede, minder frisse betekenis, namelijk ophaler, verzamelaar van 'stadsstratendrek'. Mogelijk behoorde Jan Jansz die op het Vrouwjuttenland woonde (om en nabij nummer 25) tot deze laatste categorie.

Conroijer: ook wel conroeyer of conrooier. In het ONA-Delft treffen we Jan Dircksz aan die conroeijer was in 1654. En Daniel van Steelant als conroijmeester in 1649. Glasbergen geeft de volgende uitleg: 'lakenwasser. Door conrooien of karaaien worden (fijnere) saaien, op stokken gerold, in een conrooiketel met zuiver water gekookt, waardoor vuil en kreuken verdwijnen. Na het loswikkelen volgt het drogen en ramen, om het gekrompen laken op te rekken / ende sullen de conroeyers ofte wassers voor het afloopen van de couleuren van die goederen, welken geklopt sullen werden, moeten instaan.(1730)'.

Coutscher: Andries Reyter was toen hij in 1595 trouwde als coutscher in dienst bij de graaf van Hohenloo. Andries was afkomstig uit Mechelen maar woonde in Delft aan de Verwersdijk. Met coutscher, ook geschreven als coutzscher, zal koetsier bedoeld worden.

D

Deuvelsnijder: Een deuvel was een uit hout gesneden pin waarmee de bodenplanken van een houten vat aan elkaar werden bevestigd. In de Pieterstraat ter hoogte van nummer 27 woonde, begin zeventiende eeuw, timmerman en deuvelsnijder Willem Govertsz met zijn vrouw Burchgen Evertsdr.

Dispansier: Ook wel dispencier, dispenseer of dispenseerder genoemd, wordt door Glasbergen alsvolgt omschreven: ‘a huisbestuurder, hofmeester, hospes (De [...] Oeconomus of Dispensier in ’t voorseyde Collegie (Theologie), sal houden twee Tafelen, en sulcks de Bursaelen aldaer tracteren [te eten geven].' (1592) b beheerder van de provisiekamer.’ In de doop- trouw- en begraafboeken van Delft (DTB-Delft) lezen we dat dispansier Symon Jans in 1590 in ondertrouw ging met Margrita van der Crasboom.

Draaier: Wollebrant Willemsz Drayer deed zijn naam eer aan, daar zal ik niet omheen draaien. Wollebrant was namelijk draaier van beroep. Hij woonde aan de Gasthuislaan en was in 1640 gehuwd met Trijntgen Aelbrechts. Om erachter te komen waaruit de werkzaamheden van Wollebrant bestonden zullen we in de gildeboeken moeten zoeken. Want er waren meerdere ambachten met de benaming draaier. Zo noemt onze vriend Glasbergen er al vier: a iemand die een muntpers bedient; b houtdraaier of ivoordraaier; c iemand die handmatig een wiel bedient zoals bijv. een lijndraaier; d iemand die een draaischijf bedient (bijv. in een pottenbakkerij). Daarnaast kwam in Delft ook het ambacht antiekdraaier voor. de antiekdraaier werkte op het gebied van meubels en dergelijke. Hij draaide sierlijke stoelpoten en andere kunstige onderdelen.

E

F

Fluweelwerker: Glasbergen geeft geen uitleg bij het ambacht fluweelwerker. Wellicht had dit vak raakvlakken met het ambacht trijpwever, dan wel is fluweelwerker een synoniem voor trijpwerker. Wel stelt Glasbergen dat in het Amsterdam van 1648 een felpwercker (fluweelwerker) beschikte over 'acht werckgetouwen daer men felp op werckt'. Nicasius Cocqu, die begin zestiende eeuw in Delft leefde was fluweelwerker van beroep. Hij woonde op het Rietveld, heel toepasselijk, in 'De Doeklap'.

G

Gortwijf: Een gortwijf was een vrouw die gort verkocht. Gort is gepelde gerst. In het Delft van 1654 leefde Martijntge het gortwijf. (ONA inv.nr. 2090F, fol.275)

Groenemandenmaker: Op 2 november 1624 werd de huisvrouw van Hendrick de groenemandenmaker in de Oude Kerk begraven. Dat hij manden maakte moge duidelijk zijn, maar wat dit voor manden waren des te minder. Sloeg de toevoeging ‘groene’ op de kleur van de mand of op het doel waarvoor de mand gemaakt werd? De eerste optie blijkt het geval; hij maakte manden van ongeschilde tenen. Men noemde dit 'groenwerk'. Een andere benaming voor groenemandenmaker is dan ook 'groenwerker'.

Groenwerker: Een groenwerker was een ambachtsman die van ongeschilde (groene) tenen manden en korven fabriceerde. Glasbergen komt m.b.t. de groenwerkers met een tekst uit 1573 (Enkhuizen):'De Gilde-broeders (van het korfmakersgilde) sullen mogen drie bequame mannen uyt haer Gilde te kiesen tot Proefmeesters, te weten een Wit-wercker met twee Groenwerckers...'. Het ambacht witwercker had verschillende invullingen. Waarschijnlijk werd er in deze context een wittemandenmaker mee bedoeld.

Groenwijf: Groenwijf is de vrouwelijke variant van groenman: groententeler en/of verkoopster. In een Delftse akte van 15 december 1654 wordt melding gemaakt van Martijntgen het groenwijf als schuldenaar m.b.t. een inventaris. Het woord 'wijf' had, anders dan nu, in die tijd geen negatieve betekenis.

H

Isaac van Swanenburg, 1595, huiden worden ontdaan van de wol
Haarwerker: Een haarwerker was iemand die dekens, maar ook kleden of matten vervaardigde van haar. In andere plaatsen kon het ook iemand zijn die in een borstelfabriek werkzaam was. In 1592 leefde in Delft de haarwerker Jan Pietersz.


Hoezenmaker: Over wat een hoezenmaker was kunnen we kort zijn; hij of zij produceerde hoezen en overtrekken. Cornelis Pietersz, in 1598 woonachtig aan de Molslaan, was zo’n Delftse hoezenmaker.

Hopkoper: Delft heeft lange tijd een bloeiende bierindustrie gekend. Een van de grondstoffen voor de productie van bier is hop. Er werd dan ook volop hop verhandeld in de prinsenstad. Een van de hopkopers die alhier actief waren was Jan Adriaensz die in 1608 een huisje aan het Rietveld kocht.

Hopmeter: was evenals de korenmeter een beëdigd ambtenaar belast met de inning van gemeentelijke accijns. In dit geval over de handel in hop. Delft was een bierproducerende stad en er werd dus volop hop verhandeld. Delftse hopmeters waren ondermeer Fijck Pietersz (ovl.1596) die in de Kruisstraat woonde en Arijen Pietersz (ca. 1610).

Horrenmaker: De benaming spreekt voor zich: een horrenmaker produceerde raamhorren. In 1650 werd dit ambacht reeds uitgeoefend door Nicolaes Coulon. Nicolaes woonde aan de Lakengracht. Naast horrenmaker was Coulon tevens 'houtgensmaker'

Houtgensmaker: Nicolaes Coulon leefde in de Gouden eeuw. Hij woonde met zijn vrouw Anne aan de Lakengracht. Coulon was houtgensmaker. Een houtgensmaker of houtenmaker vervaardigde houten onderdelen zoals bijvoorbeeld borstelblokken. Nicolaes was daarnaast ook horrenmaker.

Huidenvetter: Pieter Christiaen van Oprust woonde in 1656 aan de noordzijde van de Kromstraatsteeg. Hij verdiende de kost als huidenvetter. Een huidenvetter was werkzaam in een leerlooierij waar, na het looien, de huiden werden ingevet.

I

Impostmeester: Medio zeventiende eeuw bekleedde Aldert Hodenpijl in Delft het ambt van impostmeester van het zout. Impost was een vorm van belasting op verhandelde produkten. Een impostmeester was belast met het vaststellen van de hoogte van deze heffing en de inning van de accijns. In het geval van Aldert dus de accijns op zout.


J

K

Kabinetwerker: Augustinus de Cuijper leefde in de negentiende eeuw. Hij was werkzaam als kabinetwerker. Een kabinetwerker was een schrijnwerker (meubelmaker) die zich had toegelegd op het maken van kabinetten. Augustinus woonde op het Vrouwjuttenland ter hoogte van waar zich heden huisnummer 19 bevindt.

Kaffawerker: Kaffa kan zowel een zijden weefsel zijn als een weefsel van goud- of zilverdraad op satijn. Ook werd een fluweelachtige wollen stof en Indisch bont katoen wel kaffa genoemd. In de zeventiende eeuw waren er heel wat kaffawerkers in Delft actief. Eén van hen was Abraham Breemans. Het kaffa waarmee hij werkte was naar alle waarschijnlijkheid van zijde, want hij staat behalve als kaffawerker ook als zijdeverver en zijdereder te boek.

Kappenzetster: Anna van Middogh, uit 1705, was kappenzetster. Een kap was een hoofddeksel dat zowel door dames als heren gedragen kon worden. Het sloot om het gehele hoofd. Denk hierbij ook aan monnikskappen.

Klapwaker: Een klapwaker of klepperman was een nachtwacht didoor de straten van de stad zijn ronde deed. Daarbij ratelde hij met zijn klep (=ratel) en riep hoe laat het was. Het was ook zijn taak om brand en ander onraad te signaleren. En in sommige plaatsen was hij tevens stads- of dorpsomroeper. In de Oud Notariële Archieven van Delft kunnen we lezen over Jan Jansz de klapwaker die in 1654 waakte over de veiligheid van de stad.

Koetsier: Aan de koetsier hoeven we niet veel tekst te besteden. Ook nu bestaat dit beroep nog. In 1633 woonde aan de Buitenwatersloot koetsier Jan Jansz. Hij trad in dat jaar in het huwelijk met Claesge Claesdr.

Kokermaker: Vroeger waren er ambachtslieden die zich gespecialiseerd hadden in het vervaardigen van de meest uiteenlopende zaken. Zo waren er kousenmakers, speldenmaker, spijkermakers enz. En Jacob Adriaensz, die in 1615 in het huwelijk trad met Deliana Reyniers, was kokermaker. Zoals de benaming al aangeeft produceerde hij opbergcilinders. Toch is deze uitleg iets te simpel, want de kokers konden er prachtig uitzien. Er bestond destijds, onder meer in Antwerpen, zelfs het ambacht van kokervergulder. Jacob woonde in De Vlouw, zijn bruid in de Molstraat.

Kooienmaker: De benaming van het ambacht dekt de lading reeds. In het oude beroepenboek van Glasbergen legt men uit dat het hier gaat om iemand die eendenkooien en/of schaapskooien maakte. Volgens het Historisch GIS woonde in de Jacob Gerritstraat, ter hoogte van huisnummer 21, een kooienmaker die de naam Jan Thonisz van Ack droeg.

Kruiswerker: Cruijswercker is een ambacht waarbij de benaming niet veel verraad over de werkelijke lading. Al snel is men geneigd aan een religieuze betekenis te denken. Echter, niets is minder waar. Een kruiswerker was actief in de textielnijverheid en vervaardigde gebloemd linnen: het zogenaamde kruysbeeltwerck. Rond de wisseling van de zestiende naar de zeventiende eeuw woonde en werkte Cornelis Willemsz als cruijswercker in de Voetboogsteeg (Drie Akersstraat). In 1602 huwde Cornelis met Aechgen Ortwijns van de Verwersdijk.

Kuivenzetster: Ook het vrouwelijk deel van de bevolking droeg haar steentje bij aan welvaart en maatschappij. Vaak waren het alleenstaanden zoals weduwen die zorgden dat er toch brood op de plank kwam. Zo was er in 1713 Isabella Duran die werkzaam was als kuivenzetster. Een kuif of kuifje was een gesteven damesmuts.

Kussenmaker: In de zeventiende eeuw waren er tal van ambachtslieden die zich richtten op de vervaardiging van één enkel produkt. Zo ook met het produceren van kussen. In 1608 was het onder andere Frans Jansz uit de Ursulenstraat die in Delft kussens produceerde, maar ook repareerde. 'Kussemaecker' was niet een typisch mannenberoep, het werd ook door vrouwen uitgeoefend.

Kwartiermeester:

  1. Een kwartiermeester, ook wel quartiermeester, kon het hoofd zijn over een wijk of buurt. Ook kon het een officier zijn die belast was met het beheer van geldzaken van een 'compagnie ruyteren'. Maar meestal bedoelde men een maritiem quartiermeester. Jacobus Houters die medio zeventiende eeuw leefde was kwartiermeester. Evenals ene Rom wiens voornaam onbekend is. Hij woonde aan de Verwersdijk in de buurt van nummer 174.
  2. Hoofd van een wijk of buurt. De beroemde Delftse cartograaf, goudsmid, plaatsnijder Floris Balthasars van Berckenrode was zo'n kwartiermeester. Hij leefde in de zeventiende eeuw en was het hoofd van het vierde kwartier. Dat was de omgeving Choorstraat waar hij zelf woonachtig was. Ook Hippolytusbuurt, Papenstraat enz. vielen onder zijn verantwoordelijkheid.
  3. Bevelhebber over een vierde deel (kwartier) van een scheepsbemanning. In de Delftse archieven worden daar heel wat van genoemd. Ik beperk mij hier slechts tot Abraham van Bodegom op het schip Wassenaar en Age Jeltes Brunja op het schip Goudria. Beide schepen vielen onder de VOC-kamer van Delft.

L

Lakenstopper: Pieter Pietersz van Hosselaer werkte in 1618 in Delft als lakenstopper. Het was zijn taak om de gaatjes te dichten die bij het scheren of noppen van lakense stof ontstonden. Amsterdamse lakenscheerders bedienden zich van de leus: ‘Hier stopt men lakens grof en fijn, die werkt brengt zal welkom zijn.' (Glasbergen).

Ledikantmaker: Meubelmaker die zich toelegde op het maken van ledikanten. Ledikantmaker Nowee Nonnier huwde in 1645 met Claesgen Claesdr uit de Pieterstraat.

M

Mattenmaker: Het ambacht mattenmaker behelsde de productie van kamermatten. Ook kon het een kamerbehanger of kamerbelegger zijn. Er waren zowel mattenmakers als mattenmaaksters actief. De matten werden vervaardigd door middel van weven of vlechten. Jan Janszoon (1637) uit de Hopsteeg was een Delftse mattenmaker.

Mijneur, ook wel mineur, kon twee betekenissen hebben: 1 Een militair die mijnen legt of ze ontmantelt; 2 Een berg- of mijnwerker. Welk van deze twee beroepen Lourens Bastiaensz in 1630 uitoefende zou verder onderzocht moeten worden. Lourens die in de Kethelstraat woonde, huwde op 3 januari 1631 met Trijntge Gerrits die buiten de Kethelpoort woonde. Beiden waren eerder getrouwd geweest en waren hun eerdere partner verloren.

Mosterdman: Over de mosterdman zijn we gauw uitgepraat: iemand die met mosterd vent. Er woonde zo iemand op de Molslaan 33. Zijn naam was Philps Lievensz. Philps overleed vermoedelijk vóór 1605.

N

Notariskantoor in vroeger tijden
Notaris: Een ieder zal weten waarmee een notaris zich zoal bezighoudt. In vervlogen tijden was de gang naar de notaris echter veel laagdrempeliger dan heden. Wanneer men in oude akten duikt zal men vaak verbaasd staan over de (in onze ogen) onzinnige zaken waarvoor men destijds naar een notaris stapte. Delft heeft door de eeuwen heen een groot aantal notarissen gekend. Maar een van de meest markante notarissen die de Prinsenstad voortbracht was Cornelis Lambrechtsz Stuling. Naast notaris was hij in allerhande zaken verwikkeld: zowel zaken in de zin van handel als zaken in de zin van situaties. Uiteindelijk vertrok hij naar Nederlands Brazilië alwaar hij in 1648 overleed.


O

Oplegster: In 1708 woonde ene Anna, bijgenaamd Anna de oplegster, in Delft. Het ambacht oplegster kon meerdere betekenissen hebben: a een functie in een dekenstikkerij; b een functie in een passementfabriek; c een functie in een sajetfabriek.

Oudekleerkoopster: Ook al in de zestiende en zeventiende eeuw werd er levendige handel gedreven in gedragen kleding. Dikwijls waren het vrouwe die zich met deze nering bezig hielden. Rond de eeuwwisseling van voornoemde eeuwen waren in Delft onder meer de volgende dames in deze handel actief: Barber Joppen, Maritgen Sijmonsdr en Heijndrickgen Harmansdr.

P

Pastenaxbakker: In de Digitale Arena Delft lezen we dat Cornelis Mathijsz in 1626 van beroep pastenaxbakker geweest zou zijn. Vermoedelijk berust het hier op een misverstand want, afgezien van het feit dat een ambacht met die naam niet in de literatuur terug te vinden is, lijken we hier te maken te hebben met Cornelis Mathysz Pastenax die van beroep bakker was. Blijkbaar heeft men familienaam en beroep samengevoegd in de oorspronkelijke akte, dan wel bij de transcriptie.

Pieper: Een pieper is volgens Glasbergen een variant op pijper; 'die speelt op fluit, schalmei, trompet of doedelzak (pijpzak); speelman'. In 1584 woonde op de Molslaan pieper Jacob Willemsz.

Pluymesier: Volgens Glasbergen was Hugo de Grande een pluimagebereider en/of verkoper. Hij was namelijk pluijmesier en woonde in 1624 in Dertienhuizen.
Glasbergen haalt onderstaande tekst (Leiden, 1670) aan die betrekking heeft op pluijmesiers:'...dat geen pluymassiers niet vermogen sullen langhs de huysen te gaen met eenige pluymen, veel min eenige op haer kamers ofte vensters uythangen, voor ende aleer dat de vrije jaermarckt ofte kermis sal sijn ingeluydt'.
Op de benaming pluymesier bestaan een aantal varianten: pluymagier, pluimicier, pluymevier, pluymicier, pluimassier.

Poppenmaker: Het ambacht poppenmaker behoeft geen verdere uitleg. In 1683 woonde poppenmaker Jan Fransz Suerel in de Dronkensteeg, de tegenwoordige Donkerstraat.

Peenman: Peenman is een van die ambachten waarvan onduidelijk is wat het inhield. Ook Glasbergen komt niet met een antwoord. Hij raadt er maar wat naar en vermoedt (wat ieder ander ook zou vermoeden) dat het iets te maken heeft met de teelt of handel in wortelen. Jan Tonis was zo'n peenman en woonde in 1630 op de Verwersdijk.

Pelleerder: Aan de oostzijde van het Vrouwjuttenland woonde in 1543 ene Cornelis Specman. Cornelis oefende het ambacht van pelleerder uit. Hetgeen inhield dat hij in de textielnijverheid werkzaam was. Hij perste, glansde en vouwde laken.

Presbyter: In de zestiende eeuw werkte in Delft de weduwe Pietergen Rijckedochter voor presbyter Adriaen Willemsz. Willemsz woonde aan de noordzijde van de Oude Kerk. Vermoedelijk dus in de omgeving van wat we nu Oude Kerkstraat noemen. Een prima plaats voor een presbyter om te wonen, want een presbyter is niets anders dan een priester.

Priseerder: Delft, anno 1656; Magdoleentgen Bastejaens werkt als priseerster in deze stad. Ruim een halve eeuw later, in 1713, wordt Judith van der Boon als priseerder genoemd. Zowel Glasbergen als andere bronnen komen met een betekenis van dit ambacht, maar desondanks blijft de exacte lading van het woord toch een beetje vaag. De genoemde omschrijvingen zijn: prijzer (van het vleescomptoir), schatter, waardeerder. Het zijn helaas niet echt beschrijvingen waarmee we uit de voeten kunnen.

Q

Quartiermeester: had meerdere betekenissen. Een quartiermeester, ook wel kwartiermeester, kon het hoofd zijn over een wijk of buurt. Ook kon het een officier zijn die belast was met het beheer van geldzaken van een 'compagnie ruyteren'. Maar meestal bedoelde men een maritiem quartiermeester.

R

Riembeslag zestiende eeuw
Riembeslager: Riemen en ander lederwerk werd vroeger dikwijls versierd met zilveren beslag. Dit riembeslag werd vervaardigd en aangebracht door de riembeslager of riembeslagmaker. In Delft werd dit ambacht in 1612 uitgeoefend door Emel Bouwensz.


S

Schelmaker: Een schel is een deurbel. Daarbij denk je niet meteen aan een ouderwetse trekbel maar eerder aan een elektrische bel. Of Jan Aernoutsz van Cleeff in 1659 inderdaad schelmaker was is dus maar de vraag. Zo staat hij in ONA-Delft echter wel vermeld. Andere bronnen noemen hem in hetzelfde jaar schoenmaker. Jan kocht in genoemd jaar een huis aan de Broerhuislaan.

Schermmeester: Een schermmeester gaf les in schermen; degenschermen, floretschermen of sabelschermen. Medio zeventiende eeuw was Bastiaan de Groot schermmeester in Delft.

Stijentelder: Adriaen Jacobs die in 1601 bij de Zuidpoort woonde was stijentelder. Naar alle waarschijnlijkheid is stijentelder een variant op steenteller.

Stijfster: In een oude Delftse akte (15 december 1654) wordt Pieternelle de stijfster als schuldenaar opgevoerd. Pieternelle verdiende haar brood als stijfster. Dit was iemand die wasgoed of linnen met stijfsel minder plooibaar maakte.

Stiklijfmaker: Pieter de Roode uit de Jacob Gerritstraat (1643) was stiklijfmaker. Stiklijf is een oude benaming voor corset.

Stopper: Zie stratenstopper.

Stratenstopper: Een stopper of stratenstopper was iemand die gaten in de bestrating repareerde, stopte dus. In de Molslaan woonde zo'n stopper. Zijn naam was Jan Martensz en we spreken over het jaar 1585.

Strijptwerker: Een strijptwerker of strijptwever is iemand die werkt met gestreept textiel. In Delft woonde in 1696 een strijptwerker, Dirck Fransz genaamd, op de Vlamingstraat tegenover de houten brug.

T

Trijpwever: Trijp was een soort fluweel dat vele toepassingen kende. Het werd verwerkt in kleding, meubels, gordijnen, pluche, moquette en velours. In het jaar 1598 kreeg een Amsterdamse trijpwerker de opdracht om weeftoestellen te leveren aan het tuchthuis en de gedetineerden her trijpwerk te leren. In 1614 huwde de Haagse trijpwever Jan Tonisz in Delft met Neeltge Jansdr die op het Rietveld woonde.


U

Omroepers
Uitdraagster: Glasbergen komt hier met vier betekenissen: a secreetruimer; b visdrager op een vismarkt; c functie in aardewerkfabriek nl. laden en lossen van de oven; d functie in een broodfabriek. In een Delftse akte uit 1663 wordt Jannitgen Evers als uitdraagster vermeld.


Uitroeper: Het ambacht uitroeper ken twee betekenissen: een omroeper of heraut, en een venter die al roepend zijn koopwaar uitvent. In het Delft van 1655 stond Arent Leendertsz als uitroeper te boek.

V

Veldscheerder: 1. Was in dienst van het leger. Hij vervulde daar de functie van barbier. Mr. Gerrit Noot was een Delftse veldscheerder die echter zijn wortels in Geertruidenberg had. We hebben het dan over de periode rond 1603.

Veldscheerder: 2. Maaier.

Bedrijvigheid in een leerlooierij
Velleploter: Jan Adriaansz Turck woonde aan de Voorstraat ‘In de Beer’. In het jaar 1605 verdiende hij zijn dagelijks brood als velleploter. Velleploter hield in dat hij de wol van schapenvachten afschraapte. Eerst werden de vachten in een kuip met water geweekt. Vervolgens werden zij weer gedroogd waarna men er de wol af schraapte (schrapen = ploten).

W

Werkmeester: heeft meerdere betekenissen maar meestal in de zin van voorman of baas. Het kan een bouwmeester zijn, een aannemer, metselaarsbaas, opzichter, voorman of een zelstandig handwerksman. Wie wil weten welk van deze functies Sander Aryensz begin zeventiende eeuw verrichtte, zaal verder onderzoek moeten doen. Sander woonde op de Verwersdijk om en nabij nummer 174. In 1625 trad hij als weduwnaar in het huwelijk met de weduwe Neeltgen Gerrits. Andere Delftse werkmeesters waren Gijsbrecht van Swieten en Cornelis Jacobsz de Heijde. Gijsbrecht staat vermeld als kleijnwerckmeester.

Witwerker: Glasbergen geeft voor witwerker een aantal mogelijkheden; a: een kleinsmid of bankwerker, b: meubelmaker die goedkope withouten (vurenhouten) meubelen maakte, c: witter, d: iemand die manden en korven maakte van geschilde tenen. Laatstgenoemde optie heette in Delft ‘wittemandenmaker’. Welke van de drie overige mogelijkheden bij Willem Harmensz (1593). Abraham Philipsz Everhart (1689) en Alexander van der Kaay (1783) hoorden, behoeft nader onderzoek. Een andere benaming voor witwerker was witwerkmaker.

Witwerkmaker: zie witwerker

Z

Zoetekoekswijf: Medio Gouden Eeuw verdiende Engeltgen het zoetekoekswijf de kost als zoetekoekswijf. De benaming wijf had in die tijd niets negatiefs en stond gewoon voor vrouw. Engeltgen had zich toegelegd op de bereiding en verkoop van zoetekoek, een soort ontbijtkoek.

Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies