56 gerelateerde items gevonden in de collecties van Erfgoed Delft e.o
» Toon alle gerelateerde items uit de collecties van Erfgoed Delft

 
: S3953
: S7313
: S7276
: S7292
: S6859
: S3949
: S7281
Buurtkrant Rotterdamseweg e.o.
: R17017
Opening buurthuis Rotterdamseweg : programma feestweek zaterdag 22 september t/m zaterdag 29 september 1990
: R22478
Aktiviteiten Stichting Buurtwerk Rotterdamseweg e.o.
: R16169

Rotterdamseweg

From VerhalenWiki

Jump to: navigation, search
Bron: P.C.J. van der Krogt, Straatnamen van Delft: verklaring van de namen van straten en buurten, grachten en bruggen, Delft 2000.

Vermelding en vaststelling

Vermeld in de 15de eeuw als Rotterdamsche wech; Raadsbesluit 24 september 1981 (uitbreiding naam tot klein zijstraatje bij Herenpad); Raadsbesluit 30 mei 1996 vervallen verklaard voor de adressering van de huizen aan de nieuwbenoemde Rijksstraatweg (zie aldaar)

Ligging


Beschrijving

De weg naar Rotterdam is van oudsher onder de naam Rotterdamseweg bekend. Tussen de Hertog Govertkade en het Herenpad bevinden zich aan de westzijde twee doodlopende zijstraten, die administratief tot de Rotterdamseweg worden gerekend. Ze kennen echter ook eigen namen, Landzichtstraat (nrs. 18-42, deze naam is in 1996 aan een andere zijstraat gegeven, maar in 1997 al weer opgeheven) en Jan van Dijkstraat (nr. 56-92). De eerste is wellicht naar een boerderij genoemd, hoewel de beide bekende Landzichten veel zuidelijker liggen. De tweede straat is genoemd naar de aannemer J.A.L. van Dijk, die de straat omstreeks 1905 aangelegd heeft. Van Oels stratenlijst uit 1946 noemt aan deze weg als 'onofficiële' namen ook nog Koningsveld (Kramer vermeld een Coninxveld aan het eind van de Scheepmakerij), Laantje van Middelburg, en Overslag.

Buurt en wijk

Zeeheldenbuurt (buurt), Wippolder (wijk)

Kleerbleker aan de Rotterdamseweg

Dicht bij de stad waren van oudsher bleekvelden in gebruik, stukken grond waarop gewassen kledingstukken te drogen werden gelegd. Door er veelvuldig water over te sprenkelen, bleekte het linnengoed en kon het gewassen goed weer aan de eigenaars terug gegeven worden. Eén van die kleerblekers bij de Rotterdamseweg was Claas Aartze. Samen met zijn vrouw Pieternelletje Snoek bezat hij vanaf 1757 een eigen bleekterrein aan het Herenpad richting de Scheepmakerij. De zaken gingen echter slecht en ze raakten hun klanten uit Delft en Den Haag langzaamaan kwijt. Om niet helemaal bankroet te gaan, beleende Claas Aartze vanaf 1770 af en toe kledingstukken en linnengoed bij de Bank van Lening. Dit betrof echter textiel dat hij van zijn klanten achterhield. Aartze vertelde hen dat het goed kwijtgeraakt was en dat hij er naar zou zoeken. Langzamerhand kwam het bedrog uit en viel het steeds meer klanten op dat zij 'van tijd tot tijd eenige goederen waaren quijt geraakt en die goederen niet weederom kreegen'. Het ging daarbij onder andere om 'een bedtlaaken, een roode schouder mantel en twee vrouwehembden'. Kleding en textiel behoorden in de achttiende eeuw nog tot de kostbaarste en duurzame bezittingen van gezinnen, zodat de klanten aangifte deden. De Delftse rechtbank verkreeg van de kleerbleker een volledige bekentenis, waarna hij werd veroordeeld. Claas Aartze werd uit Holland en West-Friesland gebannen, maar niet nadat hij acht jaren achtereen in het Delftse Tuchthuis had gewerkt. Wegens goed gedrag mocht hij het Tuchthuis reeds na vier jaar verlaten, mits hij wel direct aan de verbanningseis voldeed.

Lijm- en gelatinefabriek

Lijm- en gelatinefabriek

Op 29 september 1885 tekende de bekende Delftse ondernemer J.C. van Marken (1845-1906) de oprichtingsakte van een tussen de Rotterdamseweg en de Schie te vestigen lijmfabriek. J.C. van Marken was tevens de oprichter van de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek en de Nederlandsche Oliefabriek, later beter bekend als Calvé. Tezamen vormden zijn drie grote bedrijven de 'Delftsche Nijverheid'.

De grond waarop J.C. van Marken de lijmfabriek wilde plaatsen was grondgebied van de gemeente Vrijenban, zodat daar de hinderwetvergunning werd aangevraagd. Om lijm te produceren was er namelijk een grondstof nodig die alleen uit dierlijke beenderen geworven kon worden. Het was dus noodzakelijk om kadavers naar de fabriek te transporteren. En dat was ook precies de reden waarom diverse omwonenden protest aantekenden tegen de plannen. Het waren met name de boeren uit de directe omgeving die bezwaar maakten. Zij vreesden milieuoverlast van de fabriek. Branderij De Nijverheid was ook niet blij met de komst van de fabriek; het water uit de Schie werd namelijk ook voor de drankproductie gebruikt. Ondanks alle bezwaren kreeg de onderneming een jaar later toch ruim baan en kon in 1887 het eerste gebouw aanbesteed worden: de Lijmfabriek was een feit. Vanaf 1911 produceerde de fabriek ook gelatine, zodat het geheel voortaan bekend stond als de Lijm- en Gelatinefabriek.

Vlak na de opening kwamen er al klachten binnen over de vervuiling van het water en de omgeving. Daarom werd het afvalwater vanaf 1922 eerst gezuiverd voordat het in de Schie werd geloosd. Vijf jaar later stapte het bedrijf over op koelinstallaties, zodat er minder grondwater nodig was.

Ontploffing

De Rotterdamseweg en wijde omgeving werden op 19 augustus 1971 opgeschrikt door een grote explosie. De knal was afkomstig van de ontvettingsafdeling van de Lijm- en Gelatinefabriek. In de fabriek zelf vielen drie doden en vijf zwaargewonden en de ravage was enorm. In de wijde omtrek braken de ruiten door de klap. De explosie zorgde voor een honderden meters hoge steekvlam en dagenlang was het een smeulende puinhoop. Ondanks de grote verliezen vielen de gevolgen van de ontploffing nog mee. De ontvettingsfabriek was sinds 1957 in gebruik en had nooit eerder met brand te maken gehad. Waarschijnlijk was een personele fout de oorzaak van de explosie. Een kleine week na de ontploffing ging men in het resterende deel van de fabriek weer aan het werk.

Scheepsmakerij

Scheepswerven

Naast de boerenhoeves bestond er ook andere bedrijvigheid rond de Rotterdamseweg. De scheepswerven hadden een ideale uitgangspositie aan de westzijde, direct langs de Schie. Het gebied net buiten de Rotterdamsepoort had dan ook als eerste een bedrijvig aanzien. Diverse scheepstimmerlieden bouwden hier hun bedrijf op het terrein dat tot 1750 bekend stond als de Scheepstimmerwerven. Na die tijd kwam de naam Scheepmakerij in gebruik. Maar ook meer naar het zuiden vestigden zich in de loop der tijd scheepswerven.

World Art Centre

Recreatieschap Midden-Delfland bezat in de jaren negentig een boerderij op Rotterdamseweg 205, maar had er nog geen duidelijke bestemming voor. Via een oproep in de lokale kranten werden mensen gezocht voor een ingrijpende verandering van het pand. Toendertijd bood de boerderij ruimte aan archeologen van de Universiteit van Amsterdam, maar Midden-Delfland zag liever een recreatieve bestemming. Op die wijze kon het prachtig gelegen monumentale pand behouden blijven én konden meer mensen er van genieten. Plannen waren er genoeg: maar liefst 250 mensen reageerden op de advertentie. Galeriehoudster Paula Kouwenhoven was één van hen. Zij mocht haar plannen voor een galerie, een atelier, een theehuis en een beeldentuin daadwerkelijk realiseren aan de Rotterdamseweg. Er moest eerst wel grondig verbouwd worden. De riolering moest in 1997 nog aangelegd worden en een gasaansluiting was ook niet aanwezig. Maar inmiddels is de oude boerderij uitgegroeid tot een prachtig complex, dat onder de toepasselijke naam World Art Centre veel aandacht besteedt aan niet-westerse kunst.

Kinderen

Kinderen

De Rotterdamseweg was in de jaren vijftig en zestig nog een drukke doorgaande weg met veel auto's en vrachtverkeer. Kinderen speelden dan ook lang niet altijd op straat, maar meer in de zijstraten en in de wijde omgeving. Zeker verderop bij de weilanden en de boerderijen was volop ruimte om uit te razen. Aart Struijk (1950) woonde op de Rotterdamseweg 280 en dus in een behoorlijk landelijke omgeving. De boerderijen, de sloten en de weilanden waren daardoor de aangewezen speelplekken.

"We speelden ook wel binnen, alhoewel we lang niet in alle boerderijen mochten komen - zeker niet in de sjieke voorkamers. Een heleboel buurtkinderen mochten televisie kijken bij tante Klazien en oom Fons van der Stap aan de Schie. Wanneer wij aanbelden, riep tante Klazien altijd vanuit haar keuken: "Kom maar verder, maar wel je schoenen uit!". Het kwam weleens voor dat oom Fons op de grond voor de kachel lag te slapen, als hij spoeling had gehaald in Schiedam. Wanneer hij dan wakker werd, zat zijn kamer vol met kinderen die naar de tv zaten te kijken."

Marrie Voskuil (1945) woonde voor aan de Rotterdamseweg, op nummer 46. De straat zelf was te druk, maar met de buurkinderen speelde zij voornamelijk in De Poort (zoals de Landzichtstraat genoemd werd) en de Jan van Dijkstraat. "Er waren bepaalde tijden voor bepaalde spelen. Soms was er een rage voor touwtje springen, dan weer met de tol spelen of knikkeren." De afwisselende bebouwing met grote en kleine huizen, schuren en erven nodigde uit tot diverse activiteiten. Een hindernisbaan werd opgesteld over de daken en schuurtjes achter de Rotterdamseweg.

"Achter in De Poort stond nog een oude boerderij: een groot grijsgeverfd huis met donkere onderrand waar het binnen altijd koel was. Op het erf met de paardenstallen mochten we niet komen. Ze hielden daar ook konijnen, kippen en een kalkoen. Het was niet aardig van ons, maar we scholden het beest altijd uit voor 'kalkoen snottebel'. Als hij dan te dichtbij kwam, dan liepen we hard weg."

Het speelterrein breidde zich uit naarmate de kinderen ouder werden. Marrie Voskuil: "Achter in de Jan van Dijkstraat hielden we toen hele badmintoncompetities. Je moest wel oppassen dat je niet uitgleed, wat er lag vaak donkerbruine olie of roest van de machinefabriek. Toen de TU-wijk bebouwd werd, gingen we daar ook wel naartoe - op ontdekkingstocht. Wij waren overigens wel vrij braaf in ons spel. Vanuit het Herenpad waren er wel wat straatbende-achtige groepen kinderen, de 'schoffies'. Die gingen bijvoorbeeld op kerstbomenjacht voor Oudjaarsavond. Zoiets deden wij niet."

Boerderijen

Boerderij

Voor wie van Delft naar Rotterdam reisde, dienden zich voorheen talloze boerderijen aan langs de Rotterdamseweg. Voornamelijk veehouders hadden hier hun stek. Diverse boerderijen zijn inmiddels afgebroken om plaats te maken voor bedrijvigheid, andere staan zij aan zij met ultramoderne bebouwing. De boerderijen die nu nog zichtbaar zijn, hebben soms een monumentale status gekregen. Echt oude boerderijen zijn niet meer te vinden in Delft. De Hammenwoning op nummer 155 zou als oudste boerderij aangemerkt kunnen worden, maar deze werd in 1927 zodanig drastisch verbouwd dat er veel oorspronkelijks verdwenen is. Even verderop langs de Rotterdamseweg in de opkamer van de boerderij van familie Van Adrichem op nummer 213-215 zijn nog wel enkele zestiende-eeuwse stijlkenmerken aangetroffen.

Veehouder C. van de Berg bewoonde samen met zijn gezin halverwege de twintigste eeuw de monumentale boerderij Ackerdijk, op Rotterdamseweg 223. Het pand stamt uit het einde van de negentiende eeuw en is daarmee een relatief 'jonge' boerderij. De hoeve is rond 1890 gebouwd op een oude boerderijplaats in een vrij eenvoudige bouwstijl. De percelen zijn omgracht en een oprijlaan zorgt voor de toegang tot het pand. Tegenwoordig is de hoeve nog wel in bedrijf, maar dan als biologische boerderij.

Vlakbij treft men de volgende monumentale boerderij aan: boerderij Halfwege, in de twintigste eeuw in gebruik bij veehouder N. van de Bergh. De gevelsteen herinnert aan het vermoedelijke jaartal van oprichting, namelijk 1785. Dit was één van de weinige boerderijen die aan het eind van de achttiende eeuw bij Delft gebouwd werden. Het waren arme tijden voor boeren, wat tot uiting kwam in de sobere architectuur. Halfwege op Rotterdamseweg 227 is dan ook een zeer eenvoudig uitgevoerde boerderij, zonder opsmuk en nodeloze versiering aan de gevels.

Afbraak

Buitenlust

De Rotterdamseweg behield lange tijd een landelijk karakter, maar veranderde in de tweede helft van de twintigste eeuw drastisch van aanzien. Het boerenbedrijf bleek steeds minder rendabel, terwijl de weidegrond erg in trek was voor de bouw van oprukkende bedrijven en woningen. Dit leidde ertoe dat boerderijen opgekocht werden door niet-agrariërs om daarna in rap tempo te verdwijnen. Boerderij Buitenlust - begin twintigste eeuw bezit van A.J. van der Drift - op Rotterdamseweg 310 was zo'n hoeve. Firma De Boo kocht in de jaren zestig de erven en het pand op om het aannemersbedrijf uit te kunnen breiden. De boerderij ging bijna direct onder de slopershamer.

Boerderij Landzicht op Rotterdamseweg 358 trof hetzelfde lot. Deze hoeve was gedurende de twintigste eeuw het eigendom van de familie Van der Drift. Veehouder H.L.A. [Hendrik] van der Drift bestuurde toen het bedrijf, samen met diverse familieleden. Hij was de laatste bewoner van de boerderij, en is woonachtig in Den Hoorn. Voor zijn huis daar staat nog een eenzame herinnering aan de oude boerderij aan de Rotterdamseweg: één van de twee palen (ook wel stoeppalen genoemd) van de voormalige oprijlaan. De andere paal staat tegenwoordig aan de Oude Delft 169 voor het Gemeentearchief. Boerderij Landzicht werd immers langzaamaan opgeslokt door de oprukkende bedrijven aan de Rotterdamseweg. Bouwmaterialenhandel G. Koolschijn & Zn kocht de boerderij op, maar liet het pand nog wel enige tijd staan. Dit leverde bizarre beelden op van een ouderwetse boerderij temidden van grote hoeveelheden bouwmateriaal. Enige jaren geleden werd de boerderij alsnog afgebroken.

Hammenwoning

De Hammenwoning

De Delftse notabele Paulus van Beeresteyn kocht in 1575 een boerderij aan de Rotterdamseweg. Hij kocht deze hoeve van de weeskinderen van de Delftse brouwer Claas Arentszoon. De brouwerij van Claas Arentszoon was gevestigd in de Ham, een doodlopend zijstraatje van het Achterom. Vermoedelijk voerde hij de ham als handelsmerk van zijn brouwerij. Van Beeresteyn was gehuwd met één van de dochters van de overleden brouwer. Ter nagedachtenis aan zijn schoonvader liet hij in zijn in 1608 nieuw gebouwde poort voor de boerderij een tweetal hammen aanbrengen. De Hammenpoort was een feit, met alle legendevorming van dien.

Dreiging

Begin jaren zestig van de twintigste eeuw stond het voortbestaan van de Hammenwoning en de bijbehorende poort op het spel. De Technische Hogeschool en de TNO-instituten breidden almaar verder uit en zouden ook een herindeling rond de Rotterdamseweg onontkoombaar maken. Veehouder P. Zeeuw, die er reeds vanaf de jaren twintig woonde, diende het veld te ruimen. De publieke opinie keerde zich fel tegen de plannen, maar de gemeenteraad had nog enige tijd nodig om zich hierbij aan te sluiten. Tot grote verontwaardiging van de redacteuren van de Delftsche Courant liet de gemeente weten dat de Hammenwoning wel moest verdwijnen 'omdat dit historische bouwwerkje in geen enkel opzicht zou passen in de moderne T.H.-bebouwing'. Het comité Behoud Stadsschoon Delft, de vereniging Delft binnen de Vesten en de landelijke bond Heemschut sloten zich bij de criticasters van het plan aan. In 1962 besloot het college van bestuur van de Technische Hogeschool dat het de Hammenwoning en de poort met rust zou laten.

De Hammenwoning bleef in de jaren zestig buiten schot, maar de dreiging is nooit helemaal weg geweest. Begin jaren zeventig rezen er plannen om rond de vermaarde boerderij honderden studentenwoningen te bouwen. Toenmalig PvdA-raadslid Th.M.A. Spanjaard trok fel van leer tegen de 'karikatuur' die dan zou ontstaan. De verantwoordelijk wethouder P. Kamps verdedigde de plannen door er op te wijzen dat de Hammenwoning in de toekomst als kantine dienst zou kunnen doen voor de studenten. Het bleef ook dit keer bij plannen. Bezuinigingen maakten het noodzakelijk om de geplande studentenwoningen te schrappen. Het was overigens pas in 2002 dat de Hammenboerderij enige officiële erkenning kreeg en de status van 'jong' monument kreeg. In 1967 ging dit nog aan de hoeve voorbij. De boerderij stamt dan wel uit de zestiende eeuw, maar door de drastische verbouwingen in 1927 kwam het complex niet in aanmerking voor opname als rijksmonument. Slechts de Hammenpoort verdiende dit predikaat. Met name de buitenzijde werd heel erg veranderd. De boerderij had voordien twee verschillende topgevels in plaats van de twee gelijke gevels.

Legende

Hammenpoort

Toen de Overschiese veehouder P. de Zeeuw in 1926 de Hammenwoning kocht, gingen er geruchten dat hij er een geheel moderne boerderij zou laten plaatsen. De Zeeuw liet het pand inderdaad drastisch verbouwen, maar deed dit wel op de oorspronkelijke fundamenten. In de Wereldkroniek besteedde men een artikeltje aan de kwestie. De boerderij zou volgens de verslaggever verdwijnen, maar de poort werd gespaard: 'De poort met haar twee hammen, volgens overlevering de prijs waarvoor de Spanjaarden het oude klooster plundering bespaarden, blijft ongerept, maar zou gesloopt worden als zij een sta-in-de-weg blijkt.' Zes jaar eerder had een redacteur van De Delvenaar al een commentaar aan de naamgeving gewijd. Hij vermeldde het verhaal over de hammen in de Tachtigjarige Oorlog, maar liet weten dat de toenmalige archivaris er een andere lezing op nahield:

Zooals steeds, als het een romantisch verhaal betreft, is die tweede verklaring zeer prozaïsch en nuchter. Op de kaarten van de oude gemeenten Delft, Hof van Delft en Vrijenban, zooals die in de 16e eeuw bestonden, [..] bestaat de grond welke bij de hoeve behoorde, in den vorm van een ham. Zijns inziens is hieruit de latere naam van de boerderij te verklaren.

De legende kwam - in enigszins gewijzigde vorm - overigens direct weer bovendrijven toen er opnieuw gevaar dreigde dat de woning en de poort afgebroken zouden worden. Een verslaggever van de Delftsche Courant van 15 december 1961 hief een lofzang op de hoeve toen deze met sloop bedreigd werd. De hammen bleven tot de verbeelding spreken:

De Hammenwoning met de daarvoor staande poort is een sieraad van de Rotterdamseweg. De laatste jaren is zij bovendien geworden tot een kleine oase in de strakke zakelijkheid van beton, staal en glas, welke de nieuwe TH-wijk is. En bij dit alles is zij gebleven de woning, waaromheen die merkwaardige legende is verbonden. Men kent haar. Het is een legende, die na de hongerwinter van 1944 sterker dan voorheen tot de Delvenaren is gaan spreken. In de tachtigjarige oorlog namelijk zou de eigenaar van de boerderij de woning voor een paar hammen hebben verkocht om zijn kinderen van de hongerdood te redden. De nieuwe eigenaar zou daarom, ter herdenking aan dit feit, een paar stenen hammen aan de toegangspoort hebben laten aanbrengen. categorie:Straten in Delft

Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies